Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.4.3.2
15.4.3.2 Motiveringsvereisten boeteling zijn marginaal
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940708:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook in de sfeer van de heffing moet de lat niet te hoog worden gelegd, zie HR 5 oktober 2007, V-N 2007/46.9, BNB 2007/327, HR 17 maart 2006, BNB 2006/250, HR 22 september 1999, BNB 1999/411, alsmede Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juni 2015, V-N 2015/38.8.
HR 8 maart 2002, V-N 2002/14.7, BNB 2002/223. Zie echter Hof ’s-Hertogenbosch 18 november 2016, V-N 2017/14.1.1, dat in verzet geen onderscheid maakte tussen de heffing en de (ene) boete die in geschil was. Het beroep in cassatie tegen deze uitspraak werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald, HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:861.
HR 8 maart 2002, V-N 2002/14.7, BNB 2002/223, r.o. 3.5-3.6.
Zie daarover nader paragraaf 11.2.
Zowel in bezwaar als in beroep rust op de boeteling de plicht om de gronden van zijn bezwaar of beroep op te nemen in zijn bezwaar- of beroepschrift.1 Doet hij dat – na in de gelegenheid te zijn gesteld een eventueel verzuim op dit punt te herstellen – niet, dan kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.2 De gronden die gericht zijn tegen een boete mogen van de Hoge Raad echter (zeer) summier zijn. De ondergrens ligt (nog3) een stuk lager dan in de sfeer van de heffing. De gedachte hierachter is dat een te strenge opstelling een belemmering van het door art. 6 EVRM beschermde recht op toegang tot de onafhankelijke rechter zou kunnen vormen, mede gelet op de spanning die zou kunnen ontstaan met het nemo tenetur-beginsel.4 Die spanning zou gelegen kunnen zijn in de dreiging door de inspecteur om het bezwaarschrift vanwege het ontbreken van een motivering niet-ontvankelijk te verklaren. Om die (mogelijke) spanning weg te nemen, kan de motivering er volgens de Hoge Raad ook in bestaan dat de boeteling zich beperkt tot de stelling dat hij het niet eens is met de gronden voor de boete, terwijl hij daarbij aangeeft dat hij zijn standpunt niet nader kan motiveren zonder zichzelf te incrimineren.5 Onder deze omstandigheden zal er geen sprake zijn van ongeoorloofde dwang in de zin van het nemo tenetur-beginsel.6