Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/9.7.1
9.7.1 Criteria
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196957:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over schorsing van andere functionarissen, commissarissen et cetera, 4.5.
Ook met het oog op de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, vgl. 3.12.
Zie over deze mogelijkheden 4.3-4.5.
3.7.
OK 12 januari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:289, ARO 2016/27: Onduidelijkheid bestond over de vraag wie bestuurder van de vennootschap was. Daaruit vloeiden conflicten tussen aandeelhouders voort. In dit soort gevallen wordt meestal overwogen dat de bestuurder wordt geschorst “voor zover hij nog bestuurder is” of “voor zover nodig”.
OK 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, ARO 2016/174 (Stichting De Gelderhorst), r.o. 3.24; met de schorsing werd het doorbreken van een impasse beoogd.
Wel heb ik de indruk dat in recentere jurisprudentie motiveringen iets uitvoeriger zijn.
Bijv. OK 10 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1584, ARO 2018/112 (Aeon Plaza Hotels), r.o. 3.20-3.21.
In OK 12 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4952, ARO 2014/6 (Three Ships Enterprises) speelden beide criteria een rol: de onmiddellijke voorzieningen (naast schorsing ook overdracht van aandelen ten titel van beheer) werden getroffen in het belang van het onderzoek en in het belang van de vennootschap en haar onderneming (r.o. 3.14).
[321] De Ondernemingskamer schorst een bestuurder of andere functionaris als ze van oordeel is dat die persoon vooralsnog niet te handhaven is, al dan niet op grond van sterke aanwijzingen dat de noodtoestand mede door hem is veroorzaakt.1 Als een bestuurder met andere voorzieningen, ‘flankerende’ maatregelen, wel te handhaven is, zal de Ondernemingskamer daarvoor kiezen.2 Bij flankerende maatregelen kan gedacht worden aan benoeming – naast de zittende bestuurder – van een onafhankelijke bestuurder, eventueel met doorslaggevende of beslissende stem, of aan benoeming van een commissaris.3
In herinnering wordt geroepen dat een onmiddellijke voorziening kan worden getroffen in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek.4
Schorsing van een functionaris in verband met de toestand van de rechtspersoon gaat vaak gepaard met ernstige twijfel aan zijn functioneren en soms met een verwijt aan zijn adres. Maar dat hoeft niet. Schorsing kan ook worden ingegeven, doordat de geschorste functionaris tijdelijk niet de juiste persoon op de juiste plek is of omdat er sprake is van incompatibilité d’humeur, die aan niemand valt toe te rekenen. Of als niet duidelijk is of iemand wel bestuurder is.5 In de beschikking in de zaak van Stichting De Gelderhorst werd zelfs benadrukt dat verdachtmakingen en verwijten, gericht tegen de te schorsen persoon, bij de beslissing tot schorsing geen rol speelden.6
Schorsing in het belang van het onderzoek heeft altijd te maken met obstructie door de geschorste persoon of met zwaarwegende aanwijzingen dat hij het onderzoek zal frustreren. Bij deze categorie schorsing speelt dus vrijwel steeds een element van verwijt een rol.
Uit de motivering van de beslissing is niet altijd kenbaar of aan de schorsing een verwijt aan de geschorste ten grondslag ligt. Dat heeft onder meer te maken met het volgende. Onmiddellijke voorzieningen worden niet altijd uitvoerig gemotiveerd en dat geldt ook voor schorsingsbeslissingen.7 Daardoor kan het onduidelijk zijn op grond van welk criterium de onmiddellijke voorziening is getroffen: in verband met de toestand van de rechtspersoon, in het belang van het onderzoek, of bij een combinatie van die twee. De meeste schorsingen houden verband met de toestand van de rechtspersoon. Als geschorst wordt onder verwijzing naar de motivering van de twijfel aan een juist beleid, dan blijkt uit de context dat schorsing op die grondslag plaatsvindt.8 Schorsing louter in het belang van het onderzoek komt niet veel voor.9