Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/8.4.3.a
8.4.3.a De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS599993:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Houwen (1988), p. 25 noot 46; Leijten (2003), p. 64-65.
Over het leerstuk ‘redelijkheid en billijkheid’, Maeijer (1984a) en (2000); Koelemeijer (1999).
Maeijer (1991), p. 16; Koelemeijer (1999), p. 31-33; Schrage (2012), p. 7-10. Er zijn overigens wel verschillen aan te wijzen tussen misbruik van bevoegdheid en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De reikwijdte van art. 2:8 lid 2 BW is bijvoorbeeld beperkter dan die van het leerstuk misbruik van bevoegdheid, zie Blanco Fernández (2002), p. 125 e.v.
Evenzo Leijten (2003), p. 64.
Leijten (2003), p. 63-64.
De OK kan volgens mij een vordering tot uitkoop ook afwijzen op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:8 lid 2 BW.1 De uitoefening van het uitkooprecht kan onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.2
Dit leerstuk vertoont grote overeenkomsten met het in art. 3:13 lid 2 BW genoemde misbruik van bevoegdheid (zie hiervoor § 8.4.2 sub a).3 Materieel bevatten beide gronden dezelfde toets.4 Leijten noemt als praktisch verschil dat de OK in bepaalde verweren mogelijk eerder een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 2 BW kan lezen dan misbruik van bevoegdheid.5