Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/2.10.4
2.10.4 Beschouwing
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS398302:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Brief Staatssecretaris van Financiën, 2 februari 2015, kenmerk IZV/2015 22 U, Informatie over rulings, V-N 2015/10.3.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 5 oktober 2015, appreciatie uitkomst BEPS-project en vooruitblik Nederlands fiscaal vestigingsklimaat, kenmerk IZV/2015/657 M, V-N 2015/56.4, paragraaf 3.1. De staatssecretaris heeft zich in gelijke strekking uitgelaten in de brief van 18 februari 2018. De staatssecretaris geeft in de brief aan dat het kabinet onverminderd voorstander blijft om in een vroeg stadium duidelijkheid te scheppen en discussies tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst ‘aan de voorkant’ te beslechten. Vooroverleg en het geven van zekerheid vooraf vormen kernelementen in het toezicht van de Belastingdienst. Het geven van zekerheid vooraf door middel van een ruling is tevens een belangrijke pijler van ons vestigingsklimaat, aldus de bewindsman.
W.E. Nent, Vooroverleg; uitstervende hoeksteen van fiscaal uitvoeringsbeleid, NTFR 2017/2503.
In gelijke zin F.G. Barnard, Veranderingen in de relatie Belastingdienst - belastingplichtige: is er sprake van verharding? TFB 2017/6/60714.
Al hoor ik in de wandelgangen dat ook in Duitsland het maken van fiscale afspraken in sommige gevallen wel degelijk mogelijk is. Dergelijke afspraken worden schijnbaar niet gepubliceerd en/of zijn niet openbaar.
Volledigheidshalve merk ik op dat ik een algemeen beeld schets en het uiteraard zo zal zijn dat de inpsecteur van het Finanzamt in de ene Duitse deelstaat zich bijvoorbeeld anders (toegankelijker) opstelt dan een inspecteur van een Finanzamt in een andere Duitse deelstaat. Hetzelfde geldt natuurlijk voor de diverse belastinginspecteurs in Nederland.
Uit bovenstaande maak ik op dat zowel Nederland als Duitsland over het algemeen gezegend is met een competente en betrouwbare fiscale uitvoeringsinstantie. Wel is mijns inziens uit deze paragraaf gebleken dat er wat verschillen zijn tussen Nederland en Duitsland wat betreft de uitvoering en handhaving van fiscale wetgeving. De relatie tussen de Belastingdienst en Nederlandse belastingplichtigen verloopt mijns inziens over het algemeen informeler dan de relatie tussen de Finanzverwaltung en Duitse belastingplichtigen. Dit uit zich onder andere in het Nederlandse horizontaal toezicht traject, waarbij het vertrouwen in de belastingplichtige mijns inziens een veel grotere rol speelt dan bij de zeitnahe Betriebsprüfung in Duitsland. Ook het Nederlandse rulingbeleid en de mogelijkheden tot vooroverleg in vergelijking met het beleid omtrent de verbindliche Auskunft duidt er mijns inziens op dat de Nederlandse Belastingdienst toegankelijker en pragmatischer lijkt te zijn dan de Duitse Belastingdienst. Vooroverleg, rulings en horizontaal toezicht hebben in principe hetzelfde voordeel voor de belastingplichtige: tijdige zekerheid omtrent de fiscaliteit. In een brief van 2 februari 2015 merkt de staatssecretaris op dat de Nederlandse Belastingdienst als uitgangspunt heeft niet alleen in beeld te komen als controleur, heffer en inner van belastingen. Zij probeert het ook voor bedrijven in Nederland zo gemakkelijk mogelijk te maken om te voldoen aan hun wettelijke verplichtingen.1
Het besef dat zekerheid vooraf voor belastingplichtigen cruciaal is, lijkt in Nederland meer aanwezig dan in Duitsland. Mijns inziens laat zich dit deels verklaren door het in hoofdstuk 2.3.1. beschreven verschil in focus ten aanzien van het fiscale vestigingsklimaat. De Nederlandse staatssecretaris geeft expliciet aan dat de werkwijze van de Nederlandse Belastingdienst voor ondernemers onderdeel is van het beleid voor een aantrekkelijk fiscaal vestigingsklimaat. Hij is van mening dat de Nederlandse werkwijze (consistent, benaderbaar, transparant en oplossingsgericht binnen wet, beleid en jurisprudentie) erg efficiënt is voor ondernemers en Belastingdienst. Daarbij past het volgens hem ook dat ondernemers zekerheid vooraf kunnen krijgen over voorgenomen rechtshandelingen.2 Wel ben ik het met Nent eens dat het lijkt dat deze werkwijze de laatste jaren wat meer onder druk is komen te staan, vermoedelijk door problemen bij de Belastingdienst zelf.3 Daarnaast Belastingdienst is Nederland zich door de discussie over belastingontwijking en door internationale (EU) drukterughoudender gaan opstellen. De in hoofdstuk 2.4.2 en 2.8 geschetste ontwikkelingen omtrent de discussie over fair share en (internationale) belastingontwijking hebben mijns inziens bijvoorbeeld geleid tot een aankondiging van de staatssecretaris dat het rulingbeleid nieuw zal worden vorm-gegeven. Daarbij is het de bedoeling dat ook de substance-eisen voor het verkrijgen van een ruling worden verzwaard. Al met al ben ik het met Barnard eens dat er een zekere verharding is te constateren in de relatie tussen de belastingplichtige (en met name de adviseur) met de Belastingdienst.4 Het afgeven van zekerheid vooraf of rulings lijkt in Duitsland veel minder voor te komen dan in Nederland.5
Het verschil in de Nederlandse en Duitse werkwijze van de Belastingdienst respectievelijk de Finanzverwaltung zou ook deels te maken kunnen hebben met de in hoofdstuk 2.5 beschreven culturele verschillen tussen Nederland en Duitsland. De Duitsers staan over het algemeen veel meer bekend om hun (stijve) hiërarchische houding en zullen wellicht vanuit die hoedanigheid minder snel geneigd zijn een uitspraak te doen over een fiscale vraag.6 Opvallend vind ik verder dat ik in mijn onderzoek op diverse plaatsen ben tegengekomen dat de Finanzverwaltung (zo aangestuurd wordt dat zij) een rechtsregel zo probeert uit te leggen dat het maximale resultaat voor de staat wordt behaald, terwijl in Nederland veel meer een onderhandelingscultuur (binnen de wettelijke grenzen) met de belastingplichtige heerst.
In dit onderzoek werk ik de verschillen en overeenkomsten in de relatie tussen de Belastingdienst en de Nederlandse belastingplichtige en tussen de Finanzverwaltung en de Duitse belastingplichtige niet nader uit. Daarnaast ga ik niet in op de vraag of de Belastingdienst, respectievelijk de Finanzverwaltung wel optimaal functioneert. Ook ga ik niet op de vraag of horizontaal toezicht respectievelijk zeitnahe Betriebsprüfung een goede of slechte ontwikkeling voor de fiscale praktijk betekent en geef ik geen oordeel over het rulingbeleid in Nederland ten opzichte van het Duitse rulingbeleid. Voor mijn onderzoek is het belangrijkste de constatering dat er verschillen zijn in de werkwijze (uitvoering en handhaving van fiscale wetgeving) van de Belastingdienst respectievelijk de Finanzverwaltung die van invloed zouden kunnen zijn bij het onderzoek of Duitse rechtsregels aanbevelenswaardig zijn om in te voeren in Nederland.
Zoals in hoofdstuk 1.3.2.4 (toetsingskader) is weergegeven is uitvoerbaarheid en handhaaf baarheid onderdeel van de fiscaal-beleidsanalytische toets uit mijn toetsingskader. Door de hierboven geschetste verschillen is het mijns inziens (extra) interessant om te onderzoeken hoe een rechtsregel in Nederland en Duitsland – gegeven de ratio – is vormgegeven en wordt uitgevoerd en gehandhaafd.