Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.3.4.1:II.3.4.1 Inleiding
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.3.4.1
II.3.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460399:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hornman 2016a, p. 77. Zie ook Knigge 1992, par. 2 en 3.
De Hullu 2018, p. 161-162 en 505-506, Sikkema 2010, par. 3.2; Hornman 2016a, p. 25.
Deze twee grondslagen voor functioneel plegerschap werden reeds genoemd door Röling in diens annotatie onder het IJzerdraad-arrest, NJ 1954/378.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De functionele pleger verricht niet zelf de delictsgedraging, maar door tussenkomst van een ander. De gedragingen van een ander worden dan aangemerkt als een uitvloeisel van de eigen gedraging: qui facit per alium, facit per se.1 Welbeschouwd is functioneel plegen een uitbreiding op fysiek plegen.2 De bespreking van deze daderschapsvorm is belangrijk in het kader van dit proefschrift, want binnen een onderneming zal de leidinggevende doorgaans niet zelf, maar (met de hulp van) ondergeschikten de delictsgedraging verrichten. De daderschapsvorm functioneel plegen is dan ook op het eerste gezicht bij uitstek geschikt voor het aanspreken van een leidinggevende die ‘achter de schermen’ betrokken is geweest bij een milieudelict. Zoals ik aangaf in paragraaf II.3.2 lijkt het erop dat in de praktijk deze aansprakelijkheidsfiguur nog maar weinig wordt gebruikt voor de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Een verklaring hiervoor komt aan bod in paragraaf II.6.2.1.
Maar wat houdt functioneel plegerschap in en welke voorwaarden gelden ervoor? Deze vraag laat zich niet makkelijk beantwoorden, omdat er verschillende opvattingen over dit leerstuk naast elkaar bestaan. De gekozen benadering heeft implicaties voor de kenmerken van en de te hanteren criteria voor functioneel plegerschap. Daarom bespreek ik in paragraaf II.3.4.3, na een kort terminologisch intermezzo in paragraaf II.3.4.2, de twee meest gangbare grondslagen voor functioneel plegerschap: toerekening en delictsinterpretatie.3
In het merendeel van de bestudeerde zaken is het plegerschap van de leidinggevenden gebaseerd op de tweede grondslag: delictsinterpretatie. In paragraaf II.3.4.4 bestudeer ik hoe fysiek milieudelicten worden uitgelegd in de geselecteerde jurisprudentie. Vervolgens ga ik in paragraaf II.3.4.5 dieper in op de criteria die zijn ontwikkeld in het kader van de tweede grondslag voor functioneel plegerschap, namelijk de verruimde IJzerdraad-criteria. Daartoe sta ik eerst kort stil bij de standaardarresten van functioneel plegerschap, waarna ik op basis van de jurisprudentie en wetssystematiek gezichtspunten verschaf voor de nadere invulling van de IJzerdraad-criteria in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden.