Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/3.4.4
3.4.4 De ruimte voor afwijkingen van het beginsel van toewijzing
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955557:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor het kort geding geldt dat in deze procedure niet altijd zekerheid bestaat over de geldigheid van het recht of de inbreuk daarop; zie par. 2.5.3.1 en 3.4.2.2.
In gelijke zin: Ohly 2009, p. 265; Schellhorn 2019, nr. 562-581; Ohly, GRUR 2021, afl. 2, p. 304; Leistner & Pless 2022, p. 30-33.
Tochtermann, ZGE 2019, afl. 3, p. 262. Zie ook BGH 10 mei 2016, X ZR 114/13 (Wärmetauscher), rn. 48 (“Selbst wenn diese Regelung dahin verstanden wird, dass sie nicht nur zu einer generellen Einschränkung der ausschließlichen Rechte aus einem Patent durch gesetzgeberische Maßnahmen ermächtigt, – auf die die Beklagten sich für ihr Begehren nicht stützen können – sondern das Verletzungsgericht auch im Einzelfall zu entsprechenden Ausnahmen legitimiert, so wären dafür doch die Belange des Patentinhabers und des Verletzers gleichermaßen abwägend in den Blick zu nehmen, um einschätzen zu können, ob die jeweils begehrte Ausnahme nicht unangemessen in Widerspruch zur normalen erwertung des Patents steht”).
Ohly, GRUR 2021, afl. 2, p. 304; Leistner, GRUR 2022, afl. 22, p. 1634.
Zie Hofmann, GRUR 2020, afl. 9, p. 919-920.
Denk aan art. 9 lid 2 BC (“Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden in bijzondere gevallen het verveelvoudigen van genoemde werken toe te staan, mits die verveelvoudiging geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk en de wettige belangen van de auteur niet op ongerechtvaardigde wijze schaadt”). Opmerking verdient dat aan deze bepaling een eigen interpretatie moet worden gegeven; zie bijv. Panel Report, WT/DS/114/R, Canada – Pharmaceutical Patents (7 april 2000), pt. 7.29 (“However, the words “limited exceptions” in Article 30 of the TRIPS Agreement are different from the corresponding words in Article 9(2) of the Berne Convention, which reads “in certain special cases””).
Zie par. 6.4.1.
Zie ook HvJ EU 28 april 2022, C-531/20, ECLI:EU:C:2022:316 (NovaText), rov. 30.
Zie over deze mogelijkheid reeds Verkade 1984.
In eerdere paragrafen kwam aan de orde dat de Handhavingsrichtlijn de rechter in beginsel verplicht een verbod op te leggen als hij vaststelt dat inbreuk is gemaakt op een geldig intellectueel-eigendomsrecht.1 Dit neemt niet weg dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waarin, ondanks een vastgestelde inbreuk, een onbeperkt en onvoorwaardelijk verbod niet op zijn plaats is.2
Specifiek met betrekking tot het octrooirecht is betoogd dat een dergelijk oordeel onderhevig is aan de vereisten van art. 30 TRIPs. Dat artikel bepaalt dat de Leden kunnen voorzien in beperkte uitzonderingen op de door een octrooi verleende uitsluitende rechten, mits deze uitzonderingen niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van het octrooi en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de houder van het octrooi schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden.3 Ik sluit mij echter aan bij de opvatting dat de rechter bij de beoordeling van een verbodsvordering niet strikt gebonden is aan deze voorwaarden. Art. 30 TRIPs heeft immers expliciet betrekking op materieelrechtelijke beperkingen.4 Restricties op handhavingsniveau kunnen niet zonder meer worden gelijkgesteld aan dergelijke beperkingen.5 Dit neemt niet weg dat de voorwaarden uit art. 30 TRIPs (en vergelijkbare bepalingen6) een rol kunnen spelen bij een weging van de relevante belangen. Het ligt bijvoorbeeld voor de hand dat de rechter bij de beoordeling van een verbodsvordering aandacht besteedt aan de exploitatiebelangen van de rechthebbende en andere legitieme belangen.7 Dat de rechter in een specifiek geval een verbod kan aanpassen of weigeren, is ook beter te verenigen met art. 3 Handhavingsrichtlijn. Die bepaling voorziet immers uitdrukkelijk in veiligheidskleppen om onredelijke rechtsuitoefening tegen te gaan en de bescherming van grondrechten te waarborgen.8 Uit overwegingen 17 en 24 blijkt dat de rechter deze correctiemechanismen in acht moet nemen bij de uitvaardiging van individuele sancties.9
Het bovenstaande neemt niet weg dat – om hiervoor behandelde redenen – voor een aanpassing of afwijzing van een verbod slechts in uitzonderlijke gevallen ruimte bestaat als is vastgesteld dat de gedaagde inbreuk heeft gemaakt op een geldig intellectueel-eigendomsrecht. Het komt mij voor dat de rechter in de meeste gevallen adequaat tegemoet kan komen aan de betrokken belangen door te kiezen voor een aangepaste veroordeling.10 De discussie die in de literatuur wordt gevoerd, richt zich met name op de vraag onder welke omstandigheden beperkingen gerechtvaardigd zijn en wat de gevolgen zijn van toepassing ervan. Beantwoording van die vraag vergt een ontleding van het evenredigheidsbeginsel en een toepassing ervan binnen de context van een rechterlijk verbod. Deze analyse komt in de volgende hoofdstukken aan bod.