Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.3.3.1
5.3.3.1 Indirecte ondervraging
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1992/93, 23 251, nr. 3 (MvT), p. 40.
Zie bijvoorbeeld Rb. ’s-Gravenhage 23 maart 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2444, r.o. 77. Hierop is overigens artikel 186a lid 3 jo. 186 lid 3 Sv van toepassing, aangezien het verhoor bij wege van rogatoire commissie door de Hoge Raad als nader onderzoek in de zin van artikel 316 Sv wordt beschouwd. Zie HR 2 juni 1992, NJ 1993, 119 en HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB9862. Op dit onderzoek zijn de regels voor het verhoor door de rechter-commissaris van toepassing (art. 316 lid 3 Sv).
EHRM 3 maart 2011, appl.no. 31240/03 (Zhukovskiy/Oekraïne), § 46.
Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, Stcrt. 2010, 19123 (2010A026).
In § 3.7 van hoofdstuk 7 zal ik aanbevelen om de verdediging in bepaalde gevallen en bij bepaalde typen zaken standaard uit te nodigen voor het politieverhoor van een getuige.
Artikel 274 Sv bevat een soortgelijke bepaling, maar deze heeft alleen betrekking op het schriftelijk ondervragen van de verdachte. Bij de inwerkingtreding van het Wetboek van Strafvordering in 1926 bepaalde artikel 306 Sv dat verdachten én getuigen schriftelijk ondervraagd konden worden. Bij invoering van de Wet herziening onderzoek ter terechtzitting is niet alleen de inhoud van artikel 306 Sv overgeheveld naar artikel 274 Sv, maar is ook – zonder enige motivering – de getuige uit de bepaling verdwenen. Er lijkt geen inhoudelijke reden te bestaan om getuigen niet en de verdachte wél schriftelijk te kunnen ondervragen. Het schriftelijke verhoor van een getuige zou in artikel 292 Sv kunnen worden opgenomen. Een schriftelijk ter zitting afgelegde getuigenverklaring zal overigens, met het oog op het onmiddellijkheidsbeginsel, wel moeten worden voorgelezen. Zie Blok & Besier 1926, p. 77.
In Nederlandse zaken zal een verhoor per videoconferentie vermoedelijk zelden of nooit in de zittingszaal plaatsvinden, maar in een speciale verhoorkamer met technische apparatuur. Het verhoor zal in de regel worden opgedragen aan een rechter-commissaris.
Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de beperkte zichtbaarheid of hoorbaarheid van de getuige wanneer een verhoor per videoconferentie wordt afgenomen.
De Minister van Justitie meende dat een kwetsbaar slachtoffer zich bij toepassing van een videoconferentie naar een plaats zou moeten begeven van waaruit een videoverbinding tot stand kan worden gebracht, zoals een rechtbank of een politiebureau. Zie Kamerstukken II 2004/05, 29 828, nr. 7, p. 3. Over de situatie dat een rechtstreeks verhoor te ingrijpend is voor de getuige zei de Minister van Justitie opmerkelijk genoeg op een andere plaats dat dit een contra-indicatie kan zijn voor het toepassen van een videoconferentie. Zie Kamerstukken I 2004/05, 29 828, nr. C, p. 3 en Jordaans 2005, p. 287. In Rb. Roermond 6 juli 2005, NJ 2005, 399 was het slachtoffer in haar eigen huis verhoord door de rechter-commissaris, terwijl deze telefonisch in contact stond met de raadsman van de verdachte.
Die kan bijvoorbeeld worden gevonden in artikel 10 van de EU-rechtshulpovereenkomst.
Vgl. Daniele 2014, p. 196.
In Kamerstukken II 2004/05, 29 828, nr. 3 (MvT), p. 1, 8 en 11 wordt als belangrijkste voordeel van getuigenverhoren per videoconferentie genoemd dat kan worden bespaard op de reiskosten van rogatoire commissies. Vgl. Commissie-Swart 1993, p. 55.
Tijdens het verhoor heeft de getuige de rechten en verplichtingen die naar Nederlands recht gelden. Zie Kamerstukken II 2001/02, 28 351, nr. 3 (MvT), p. 5.
Kamerstukken II 2004/05, 29 828, nr. 7, p. 6 duidt juist op het tegendeel: er is beoogd een algemene regeling tot stand te brengen.
Kamerstukken II 2004/05, 29 828, nr. 3 (MvT), p. 4.
Kamerstukken II 2004/05, 29 828, nr. 4, p. 1-2.
Advies Raad voor de rechtspraak, p. 1. Het advies is te raadplegen op http://www. rechtspraak.nl/Gerechten/RvdR/Wetgevingsadvisering/.
Bij kwetsbare getuigen zullen beschermende maatregelen kunnen worden getroffen. Zie Artikel 10 lid 5 sub b EU-Rechtshulpovereenkomst.
Kamerstukken II 2001/02, 28 350 (R 1720), nr. 3 (MvT), p. 4.
Artikel 10 lid 3 EU-Rechtshulpovereenkomst.
Kamerstukken II 2001/02, 28 350 (R 1720), nr. 3 (MvT), p. 4.
Zie daarover § 2.7.2.
Artikel 11 van de EU-Rechtshulpovereenkomst regelt het verhoor van getuigen per telefoonconferentie. Verdragsstaten kunnen elkaar weliswaar verzoeken om een verhoor per telefoonconferentie, maar alleen wanneer de nationale wetgeving van de verzoekende staat daarin voorziet. De Nederlandse wetgever heeft besloten hierin niet te voorzien. Dat betekent dat de telefoonconferentie in het kader van wederzijdse rechtshulp op verzoek van Nederland uitgesloten is. Een gewoon telefonisch verhoor is niet uitgesloten.
Rb. Roermond 6 juli 2005, NJ 2005, 399. In deze zaak hebben de advocaten van de verdediging erover geklaagd dat zij het verhoor moeilijk konden volgen.
Opgegeven vragen worden buiten aanwezigheid van de verdediging door een ander gesteld
Voor verhoren bij de rechter-commissaris bepaalt artikel 186a lid 3 jo. 186 lid 3 Sv dat de verdediging de vragen kan opgeven die zij gesteld wenst te zien. In de memorie van toelichting bij de Wet herziening gerechtelijk vooronderzoek overwoog de Minister van Justitie hierover:
‘De raadsman bezit wel een algemene bevoegdheid tot het opgeven van vragen die hij gesteld wenst te zien. Hij kan zulks vóór of tijdens het verhoor doen. Als hem de toegang tot het verhoor door de rechter-commissaris is geweigerd, kan hij uitsluitend schriftelijk de vragen opgeven die hij gesteld wenst te zien. Onder omstandigheden zal de rechter-commissaris in dat geval genoodzaakt zijn de getuige ten tweeden male te verhoren. De raadsman is immers pas na lezing van de door de getuige buiten zijn aanwezigheid afgelegde verklaring in staat in volle omvang te beoordelen welke vragen hij aan die getuige gesteld wenst te zien.’1
Een voorbeeld waarin het opgeven van vragen van belang kan zijn, is het geval waarin een getuige in het buitenland wordt ondervraagd door de rechter-commissaris, in het kader van een rogatoire commissie. Bij voorkeur wordt de verdediging toegelaten bij dat verhoor, zeker als het verhoor op verzoek van de verdediging plaatsvindt. Het komt echter voor dat de regels van de staat waar het verhoor wordt uitgevoerd, niet toestaan dat de verdediging het verhoor zelf bijwoont. In zo’n geval is van groot belang dat de raadsman in de gelegenheid wordt gesteld vragen op te geven aan de rechter-commissaris.2 Dat blijkt ook uit de ehrm-jurisprudentie.3
Het opgeven van vragen die door een ander dan de verdediging worden gesteld, kan ook relevant zijn wanneer op verzoek van de verdediging een studioverhoor wordt georganiseerd. Zou de verdediging daarbij fysiek aanwezig mogen zijn in de verhoorkamer, dan zou het idee achter het studioverhoor worden ondermijnd. De verdediging kan worden uitgenodigd voor het verhoor, maar zij zal het verhoor alleen vanuit een andere ruimte kunnen volgen. De verhorende ambtenaar zal de vragen van de verdediging aan de getuige kunnen stellen en bij voorkeur ook de gelegenheid bieden om naar aanleiding van de gegeven antwoorden nadere vragen op te geven. Over het opgeven van vragen door de verdediging bevat de wet geen regels en ook de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik gaat niet in op de positie van de verdediging.4 Ik heb geen Nederlandse zaken gevonden in de gepubliceerde jurisprudentie waarin de verdediging was uitgenodigd om vragen op te geven voor een studioverhoor. In de praktijk komt dit kennelijk zelden of nooit voor of leidt het niet tot klachten van de verdediging.5
Voor de fase van het onderzoek ter terechtzitting zwijgt de wet over de mogelijkheid vragen op te geven. De reden hiervoor is waarschijnlijk dat de raadsman van de verdachte getuigenverhoren ter zitting altijd zal mogen bijwonen. Daarbij wordt echter geen rekening gehouden met demogelijkheid dat de verdachte geen rechtsbijstand heeft en wordt uitgesloten van het bijwonen van een getuigenverhoor.6 In dat geval zal hij mijns inziens wel in staat gesteld moeten worden om schriftelijke vragen op te geven. Het zou goed zijn deze mogelijkheid ook expliciet in de wet op te nemen.
Schriftelijke vragen worden schriftelijk beantwoord
Wanneer een getuige niet goed kan horen of spreken, mag de rechter-commissaris besluiten dat de vragen schriftelijk worden opgegeven en schriftelijk worden beantwoord (art. 191 lid 2 Sv). Voor het onderzoek ter terechtzitting bestaat geen equivalent.7 Wanneer een getuige schriftelijk wordt ondervraagd, is geen sprake van een normale verhoorsituatie. De reactie van een getuige op gestelde vragen kan alleen worden vastgesteld op grond van de gegeven antwoorden en niet ook op grond van de lichaamstaal van de getuige. Schriftelijke ondervraging zou daarom beperkt moeten blijven tot situaties waarin dit noodzakelijk is. Artikel 191 lid 2 Sv heeft daarop inderdaad betrekking.
Verhoor per videoconferentie en telefonisch verhoor
Artikel 131a Sv regelt het verhoor per videoconferentie. Wanneer een getuige zich in Nederland bevindt, zal zich niet snel een goede reden voordoen die verhoor per videoconferentie noodzakelijk maakt. Zelfs wanneer de getuige zo ziek is dat hij niet naar een plaats van verhoor kan komen, zal het doorgaans mogelijk zijn om een verhoor te houden op de plaats waar de getuige zich bevindt (art. 212 resp. 318 Sv).8 Dat verdient de voorkeur boven een verhoor per videoconferentie, omdat de bij het verhoor aanwezige personen rechtstreeks kunnen waarnemen op welke manier de getuige de vragen beantwoordt en zich geen technische bezwaren voordoen.9 Een videoconferentie zou een alternatief kunnen zijn wanneer de rechtstreekse confrontatie van een slachtoffer met de verdachte onwenselijk wordt geacht.10
Ten aanzien van getuigen die zich in het buitenland bevinden, kan – voor zover daarvoor een verdragsbasis bestaat11 – een verhoor per videoconferentie een heel bruikbare verhoorwijze opleveren, in het bijzonder wanneer de verdediging niet aanwezig mag zijn bij een verhoor in het buitenland. Tijdens een videoconferentie kan de verdediging – eventueel door tussenkomst van de rechter-commissaris – haar vragen stellen. De reactie van de getuige kan worden waargenomen en daarvan zal ook een videoregistratie kunnen worden gemaakt, die door de zittingsrechter kan worden bekeken. Een goede reden voor het houden van een videoconferentie kan derhalve zijn dat de verdediging, als zij een verhoor in het buitenland niet mag bijwonen, in een betere positie is om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te onderzoeken dan bij een getuigenverhoor in het buitenland.12 Daarnaast kunnen ook financiële argumenten relevant zijn. Het organiseren van een verhoor in het buitenland is een kostbare zaak.13 Een verhoor via videoconferentie kan een redelijk alternatief opleveren, zolang ten minste aan minimumvoorwaarden wordt voldaan. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de aanwezigheid van een buitenlandse rechter op de plaats waar de getuige zich bevindt. Deze moet de identiteit van de getuige vaststellen. De getuige zal ook moeten worden beëdigd, aangezien de verwachting bestaat dat hij niet ter zitting zal verschijnen (art. 216 lid 1 sub a Sv).14
Uit artikel 131a Sv en het Besluit videoconferentie volgt niet dat getuigenverhoren slechts bij uitzondering per videoconferentie zouden moeten worden uitgevoerd.15 De wetgever heeft zich zelfs op het standpunt gesteld dat van een beperking van de verdedigingsrechten geen sprake is.16 De Raad van State wees er in zijn advies op dat de verdediging een deel van de non-verbale communicatie mist.17 Ook de Raad voor de rechtspraak meende dat een videoconferentie de communicatie beperkt. Zo is het beeld van de getuige beperkt tot een tweedimensionale weergave van een deel van de getuige. Volgens de Raad voor de rechtspraak moet de toepassing van de videoconferentie daarom worden beperkt tot standaardsituaties. Hij meende dat ‘in gevallen waarin het bijvoorbeeld aankomt op de toetsing van betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring, terug moet kunnen worden gegrepen op directe confrontatie.’18
Hoewel de wetgever in het uitvoeren van een getuigenverhoor per videoconferentie geen beperking van het ondervragingsrecht zag, is het uitgangspunt van de memorie van toelichting dat een buitenlandse getuige in persoon verschijnt in Nederland. Pas wanneer dat niet gerealiseerd kan worden of voor onwenselijk wordt gehouden, zal de videoconferentie uitkomst kunnen bieden. De memorie van toelichting bij de wet tot goedkeuring van de EU-Rechtshulpovereenkomst noemt een aantal voorbeelden van onwenselijkheid: ‘Hierbij kan gedacht worden aan getuigen voor wie het wegens hun leeftijd of gezondheid zeer bezwaarlijk is te reizen of getuigen die bedreigd worden.19 Onwenselijkheid kan ook aan de orde zijn indien betrokkene in het land van verhoor de status van ongewenst vreemdeling heeft of het niet wenselijk is hem toegang te verlenen wegens gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid.’20 Wanneer op grond van de EU-Rechtshulpovereenkomst een verzoek wordt gedaan tot het uitvoeren van een videoconferentie, zal Nederland moeten aangeven aan de aangezochte staat waarom het niet wenselijk of mogelijk is de getuige in Nederland te horen.21 In dit soort gevallen kan de videoconferentie een goed alternatief zijn ten opzichte van het organiseren van een rogatoire commissie.22
Uit de Straatsburgse jurisprudentie kan niet met zekerheid worden afgeleid of een goede reden een voorwaarde is om een getuige via een videoverbinding te horen.23 Voor zover deze voorwaarde geldt, kan op grond van het voorgaande worden vermoed dat daaraan steeds zal worden voldaan.
Het telefonisch ondervragen van een getuige is op zichzelf toelaatbaar, maar heeft als nadeel dat de lichaamstaal van een getuige tijdens de ondervraging niet kan worden gadegeslagen.24 Dat weerhield de Rechtbank Roermond er niet van om de telefonische ondervraging van een getuige via de rechter-commissaris aan te merken als een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid.25