Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.1
7.3.1 Materieel en formeel bewijsrecht
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940319:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Koopman is van mening dat het bewijsrecht ‘in wezen tussen het materiële en het formele recht in zweeft’, zie Koopman 1996, par. 4.4.2.
Scheltens (losbl)., p. 635, Niessen-Cobben 1995, p. 165, Happé e.a. 2010, p. 389, Conclusie A-G Van Hilten 13 mei 2015, V-N 2015/34.7, par. 9.3.1.
Zie daaromtrent nader paragraaf 7.3.10. Aldus ook Schuurmans 2005, p. 41.
Zie bijvoorbeeld Albert 2005, p. 153, Langereis & De Roos 2010, p. 216 en Happé e.a. 2010, p. 389.
Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 33 en 37. Het betrof daar het bestuursrecht in algemene zin (zie daaromtrent nader paragraaf 4.3.2.1); het belastingrecht is daarvan een onderdeel.
Zie Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 107 voor een uitgebreide literatuurverwijzing waaruit de algemene gangbaarheid van deze term blijkt.
Aldus ook (wat betreft de keuze, waardering en weging van bewijs): Adriani 1949, p. 184.
Zie daarover nader paragraaf 7.3.7.3.1.
Zie onder meer HvJ EU 1 december 2022 (Aquila), nr. C-512/21, V-N 2022/56.15, HvJ EU 23 oktober 2014 (Unitrading Ltd.), nr. C-437/13, BNB 2015/26.
Aldus ook HR 26 februari 2021, V-N 2021/11.13, r.o. 4.2.
Naar mijn mening heeft het bewijsrecht zowel een materiële als een formele component.1 De materiële component is de verzameling rechtsregels die bepalen welk bewijs is toegestaan, hoe overtuigend het bewijs moet zijn, wie het bewijs moet leveren et cetera (de inhoud). Het gaat hierbij om inhoudelijke regels die een antwoord geven op de in paragraaf 7.1 onderscheiden deelvragen. Bij de zoektocht naar rechtsbronnen omtrent dit materiële bewijsrecht binnen het belastingrecht is de eerste constatering dat de geldende wet- en regelgeving nauwelijks aanknopingspunten, laat staan duidelijke regels, bevat.2 Deze component moet dan ook vrijwel uitsluitend uit de jurisprudentie worden afgeleid. De formele component betreft de rechtsregels die gaan over de verwezenlijking van het materiële bewijsrecht (de vorm). Het gaat dan om vragen als: hoe en binnen welke termijn moet bewezen worden, wie moet wanneer beslissen over de vraag of een bepaald bewijsmiddel (on)toelaatbaar is? De formele regels zijn sterk procedureel van aard: zij zijn onderdeel van het formele procesrecht, dat de inrichting en organisatie van het fiscale proces regelt. Ook deze component is grotendeels kenbaar uit de jurisprudentie, maar de relevante wet- en regelgeving bevat op dit punt wel verschillende bepalingen. Voor de beroepsfase is het formele bewijsrecht bijvoorbeeld tot op zekere hoogte wettelijk geregeld in de Awb.3 In de AWR is geen afzonderlijk hoofdstuk of afdeling gewijd aan het bewijsrecht.4
Het fiscale bewijsrecht is dus hoofdzakelijk rechtersrecht en is daarom alleen kenbaar uit de jurisprudentie.5 Dat is overigens een bewuste keuze van de wetgever geweest.6 Net als in het algemene bestuursrecht geldt ook binnen het fiscale recht de zogenoemde vrije bewijsleer,7 waarmee wordt bedoeld dat een oordeel over veel van de hiervoor genoemde aspecten (zoals de keuze van de bewijsmiddelen) aan de rechter is overgelaten.8
De bewijsregels van nationaal recht gelden in beginsel ook in gevallen waarin het Unierecht van toepassing is.9 Hierbij is van belang dat het HvJ EU kwesties van bewijsrecht primair als aangelegenheid van nationaal procesrecht aanmerkt.10 Er is wel een buitengrens: de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten mag door het nationale bewijsrecht in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk worden gemaakt.11