Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/4.5.1:4.5.1 Jurisprudentie als bron voor de uitwerking van beginselen
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/4.5.1
4.5.1 Jurisprudentie als bron voor de uitwerking van beginselen
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS411324:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. ook de conclusie van A-G Ilsink bij HR 12 oktober 2001, nr. 34 929, BNB 2002/13 (m.nt. Happé) en HR 23 februari 1996, nr. 8662, NJ 1996, 396 (concl. A-G De Vries LentschKostense).
Zo ook: aanwijzing 4 AR en Popelier 1999b, p. 5 en par. 1.3.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in par. 4.4 geformuleerde beginselen van behoorlijk overgangsbeleid hebben tot doel een beoordelingskader te vormen voor de wetgever, zodat een overgangsregime kan worden ontworpen dat voldoet aan de kwaliteitseisen die in het algemeen aan wetgeving worden gesteld. In par 4.3 was aan de orde dat formele wetgeving – waaronder overgangsrecht – slechts in enkele gevallen ter toetsing aan de rechter kan worden voorgelegd. Rechterlijke toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel is – als het gaat om formele wetgeving – in beginsel niet mogelijk.
Gelet op de beperkte mogelijkheden voor toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel achteraf, én nu toetsing achteraf een lange periode van onzekerheid met zich brengt, is het van des te groter belang dat de wetgever vóóraf toetst aan de verschillende rechtsbeginselen.1 Een dergelijke toets behoort ook tot de taak van de wetgever als eerste bewaker van de kwaliteit van wetgeving.2 De door mij geformuleerde beginselen van behoorlijk overgangsbeleid verschaffen de wetgever een handvat bij het opstellen van overgangsrecht. Teneinde invulling aan deze beginselen te kunnen geven, moet hun inhoud nader worden bepaald. Voor zover de beginselen zijn ontleend aan het rechtszekerheidsbeginsel, biedt de Nederlandse jurisprudentie hiervoor weinig aanknopingspunten, nu alleen lagere regelgeving ter toetsing aan de rechter kan worden voorgelegd. Om die reden zal hierna met name het onderzoek dat Popelier naar Belgische, Duitse en Europese jurisprudentie heeft verricht als inspiratiebron worden gebruikt. Haar bevindingen worden door mij met behulp van literatuuronderzoek en onderzoek naar met name jurisprudentie met betrekking tot lagere overheden en recente rechtspraak van het Hof van Justitie EG nader geconcretiseerd en aangepast aan het Nederlandse belastingrecht. Bij de uitwerking van het beginsel van overeenstemming met hogere regelgeving zal ik mij zowel baseren op Nederlandse jurisprudentie als op rechtspraak van het EHRM.
Voor zover ik bij de uitwerking van de beginselen gebruikmaak van rechtspraak, leid ik uit de rechtspraak (waarbij toetsing achteraf heeft plaatsgevonden) criteria af om toetsing vooraf mogelijk te maken. Aan deze ‘vertaalslag’ kan worden tegengeworpen dat toetsing vooraf moeilijker is dan toetsing achteraf. Bij toetsing achteraf staan de feiten immers vast, terwijl de wetgever bij toetsing vooraf voorspellingen moet doen ten aanzien deze feiten. Het is ook mede om die reden dat geen strenge normen voor overgangsbeleid voor de wetgever kunnen worden geformuleerd, doch moet worden volstaan met richtlijnen (zie ook par. 1.2.2).