Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/8.4.2:8.4.2 Hoedanigheid van getuige versus deskundige
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/8.4.2
8.4.2 Hoedanigheid van getuige versus deskundige
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 22 januari 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering tot verbetering van de regeling van de positie van de deskundige in het strafproces (Wet deskundige in strafzaken), Stb. 2009, 33.
Vgl. Van Dam 2009, p. 18.
Zie op dit punt meer uitvoerig Knigge 2010, p. 1-2.
HR 21 september 1999, NJ 1999, 758 en HR 12 januari 2010, LJN BK8831.
Knigge 2010, p. 1-2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een andere belangrijke informant in het strafproces betreft de deskundige. Een deskundige wordt in de strafzaak betrokken om zijn specifieke expertise. Bij een deskundige gaat het dan ook niet (primair) om de verstrekking van door waarneming verkregen informatie, maar om informatie die behoort tot de specifieke kennis van de deskundige of door de deskundige met behulp van verricht onderzoek is gegeneerd. De deskundige ontleent zijn kennis dus in beginsel aan een andere kenbron. Anders dan de getuige zal de deskundige in de regel geen enkele directe betrokkenheid hebben bij het te onderzoeken strafrechtelijk voorval.
De regeling omtrent de positie van de deskundige in het Nederlandse strafproces is in 2010 aangepast.1 Onder de oude regeling was het onderscheid tussen de getuige en deskundige tamelijk helder. De getuige verklaarde omtrent zijn ‘eigen waarneming of ondervinding’, terwijl de deskundige verklaarde over zijn ‘gevoelen betreffende hetgeen zijne wetenschap hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is’ (art. 343 (oud) Sv). Het verschil in inbreng kwam mede tot uitdrukking in de te hanteren eedsformules. Van de getuige werd verlangd dat hij ‘de hele waarheid en niets dan de waarheid’ zou zeggen (art. 290 lid 2 Sv), terwijl de beëdiging van de deskundige zag op het ‘naar geweten’ vervullen van zijn taak (art. 299 lid 1 onder 1 (oud) Sv). Niettemin werd de deskundige onder de oude regeling op de terechtzitting (zekerheidshalve) vaak ook als getuige beëdigd. De ratio achter deze dubbele beëdiging moest gezocht worden in het feit dat deskundigen veelal ook rapporteerden over in het kader van het (empirisch) onderzoek gedane waarnemingen. Het klassieke voorbeeld was dat van de patholooganatoom die zowel verklaarde over het waargenomen letsel als over zijn conclusies omtrent de doodsoorzaak. De frequente dubbele beëdiging heeft ertoe geleid dat in de praktijk vooral werd gesproken van de getuige-deskundige, een aanduiding die men verder in de wettelijke regeling niet tegenkwam.
Hoewel de rol van deskundige en getuige in één persoon binnen dezelfde zaak konden samenvallen in de figuur van de getuige-deskundige, zagen de te onderscheiden eedsformules op andere (wel sterk met elkaar verweven) onderdelen van de verklaring. Onder de nieuwe regeling is de eedsformule van de deskundige zo aangepast, dat dit dubbele beëdiging overbodig maakt. Van de deskundige wordt nu verlangd dat hij ‘naar waarheid en zijn geweten’ verklaart (art. 51m lid 2 Sv). Het toevoegen van de waarheidscomponent aan de eedsformule van de deskundige zou tot gevolg kunnen hebben dat het onderscheid tussen de getuige en deskundige minder scherp wordt. De deskundige kan immers nu ook verklaren over zijn waarnemingen in zijn hoedanigheid als deskundige, maar aangenomen moet worden dat deze waarnemingen dan wel uitdrukkelijk gerelateerd dienen te zijn aan het in het kader van zijn opdracht verricht onderzoek. Is dat niet het geval, dan ligt beëdiging als getuige alsnog in de rede.2 Met andere woorden, hoewel deskundigen ook kunnen verklaren over in het kader van het onderzoek gedane waarnemingen, ligt het accent voor wat betreft de inhoud van de verklaring op zijn bijzondere expertise.
Anders dan voor de getuige waarbij de wet uitsluitend refereert aan mondeling ter terechtzitting afgelegde verklaringen, maakt de wet voor verklaringen afkomstig van deskundigen wel onderscheid naar vorm waarin de verklaring tot de rechter komt. De mondeling op het onderzoek ter terechtzitting afgelegde verklaring is neergelegd in artikel 343 Sv en de schriftelijke verklaring, het deskundigenverslag, in artikel 344 lid 1 sub 4 Sv. Met de invoering van de Wet deskundige in strafzaken is dat wat onder een schriftelijke verklaring van een deskundige moet worden verstaan, aanmerkelijk geformaliseerd. De definitie van het deskundigenverslag is aangepast in de zin dat daarin is opgenomen dat het verslag het antwoord bevat op de opdracht die is verleend. Hiermee is een formeel aspect in de omschrijving van het deskundigenverslag als wettig bewijsmiddel gebracht, waarbij niet geheel duidelijk is wat de wetgever met deze aanpassing voor ogen heeft gehad. Zo is niet helder wat precies moet worden verstaan onder het begrip opdracht en in hoeverre gebreken in de opdrachtverlening of benoeming doorwerken in de wettigheid van het bewijs. Als de opdracht niet op de juiste wijze of door de juiste autoriteit is verleend, kan het verslag dan nog bijdragen tot het bewijs via artikel 344 lid 1 onder 4° Sv? Evenmin is duidelijk wat de consequentie moet zijn als het verslag inhoudelijk meer behelst dan datgene waarin de opdracht voorzag of het bijvoorbeeld op eigen initiatief van de deskundige is opgemaakt (dus zonder dat daaraan een formele benoeming aan vooraf is gegaan).3 Voor de inwerkingtreding konden processen-verbaal die naar hun inhoud meer de kenmerken hadden van een deskundigenverslag ook als zodanig voor het bewijs worden gebruikt.4 Niet de vorm van het stuk was in dezen bepalend, maar de inhoud van het beweerde. De vraag is of een dergelijke benadering ook thans onder het nieuwe regime nog mogelijk is. Dit punt wordt hier aangestipt omdat het (opnieuw) illustreert dat het opnemen van formele momenten in definities van bewijsmiddelen tot lastige juridische vragen kan leiden en formalisering in de hand kan werken. Knigge acht het dan ook wijs dat de wetgever van 1926 juist geen al te sterke koppeling had aangebracht tussen de definitie van de toegelaten bewijsmiddelen en de bewijsgaringsvoorschriften elders in het wetboek.5 Een koppeling die in de nieuwe regeling wel wordt aangebracht, doordat de wet nu de eis behelst dat het verslag het antwoord bevat op de verleende opdracht.