Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/
Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS481379:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
De relevantie van het onderscheid zien we in de Packard Bell-beschikkingen van de Ondernemingskamer (OK 9 januari 2008, JAR 2008/52 en OK 19 februari 2008, JAR 2008/106). De ondernemingsraad had zich in die zaak op het standpunt gesteld dat de grootmoeder van de ondernemer aangemerkt diende te worden als medeondernemer, en dat het besluit tot overdracht van de aandelen in de moeder van de ondernemer voor toepassing van art. 25 lid 1 en onder a WOR aan de ondernemer toegerekend diende te worden. De Ondernemingskamer verwierp zowel het beroep op medeondernemerschap als dat op toerekening, dit laatste omdat de ondernemingsraad onvoldoende had toegelicht dat het besluit concreet en rechtstreeks in de onderneming ingreep. Rechtstreeks ingrijpen is bij overdracht van de zeggenschap echter niet het juiste criterium. Zou de Ondernemingskamer de toerekening hebben beoordeeld op basis van het criterium ‘specifiek betrekking hebben op’, dan had dat, afgezien van de vraag of en in hoeverre substance daaraan in de weg zou staan, tot een ander oordeel kunnen leiden. Substance in relatie tot overdracht van de zeggenschap komt in par. 5.3.8 aan de orde.
Art. 25 lid 1 en onder a WOR kenmerkt zich niet alleen door overdracht van de zeggenschap, blijkens zijn aanhef is ook vereist dat sprake is van een besluit van de ondernemer. In de voorbeelden die ik aan het slot van par. 5.3.1. gaf, herkennen we een besluit van de ondernemer, nl. van de algemene vergadering van aandeelhouders. Dat ligt anders indien zeggenschap in de onderneming wordt overgedragen door overdracht van aandelen in de vennootschap. In dat geval is geen sprake van een besluit van de ondernemer, maar van een besluit op het niveau van de aandeelhouders. Tenzij de statuten een orgaan van de vennootschap in dat proces een rol toekennen, bijvoorbeeld in de zin dat dat orgaan zijn goedkeuring aan de overdracht zal moeten hechten (vgl. art. 2:194 lid 2 BW), zal de besluitvorming met betrekking tot die overdracht zich buiten de ondernemer om voltrekken. Om ook bij overdracht van de aandelen in de vennootschap voor toepassing van art. 25 WOR te kunnen spreken van een besluit van de ondernemer, wordt gebruik gemaakt van toerekening, een techniek die in par. 5.2.1 al aan de orde kwam. We zagen daar dat toerekening twee varianten kent: de eerste is die waarin het besluit rechtstreeks in de onderneming ingrijpt, de tweede die waarin het besluit specifiek betrekking heeft op de onderneming. Dat met overdracht van de zeggenschap in de ondernemer niet rechtsreeks in de onderneming wordt ingegrepen, valt niet of nauwelijks te betwisten. Toch strekt de overdracht van (de zeggenschap in) de ondernemer er toe de (zeggenschap in de) onderneming over te dragen. We komen daarmee terecht bij de tweede variant van de toerekening.1