De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/9.2.2.2:9.2.2.2 Welke belangen? De wettekst en de Versatel-II- en Novero I-beschikkingen
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/9.2.2.2
9.2.2.2 Welke belangen? De wettekst en de Versatel-II- en Novero I-beschikkingen
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368536:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 9.2.1.1 en 9.2.1.2.
Zie onder meer Compendium 2013, p. 1778, Geerts (Diss.), p. 280 en 281.
Zie par. 9.2.1.5.
HR 14 september 2007, NJ 2007, 611 m.nt. Maeijer, JOR 2007/238 m.nt. Bartman bij JOR 2007/239 (Versatel II).
Kamerstukken 32887, nr. 6, p. 22.
HR 11 juli 2014, NJ 2014, 388 m.nt. Van Schilfgaarde bij NJ 2014, 389, JOR 2014/264m.nt. Josephus Jitta (Novero I).
Zie par. 4.5.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de tekst van art. 2:355 lid 1 BW blijkt niet met welke belangen rekening moet worden gehouden bij het beoordelen van de proportionaliteit van eindvoorzieningen. Er blijkt louter uit dat eindvoorzieningen gericht moeten zijn op het verhelpen van wanbeleid. Het proportionaliteitsvereiste ten aanzien van eindvoorzieningen is slechts in beperkte mate uitgewerkt in de wetsgeschiedenis en literatuur.1 Algemeen wordt aangenomen dat eindvoorzieningen passend en geboden moeten zijn in het licht van het geconstateerde wanbeleid, maar er is in de literatuur bij mijn weten niet in kaart gebracht welke gezichtspunten hierbij van belang zijn.2 Het is echter logisch dat hierbij dezelfde gezichtspunten van belang zijn, als bij de toepassing van de redelijkheid en billijkheid.3 Dat lijkt ook met enige voorzichtigheid te kunnen worden afgeleid uit de rechtspraak.
Ten aanzien van onmiddellijke voorzieningen is duidelijk dat alle belangen van betrokken partijen moeten worden meegewogen. In de tweede Versatel-beschikking4 oordeelde de Hoge Raad bijvoorbeeld het volgende:
“Bij de beoordeling van het onderdeel wordt vooropgesteld dat de ondernemingskamer op grond van art. 2:349a BW de vrijheid heeft zodanige onmiddellijke voorzieningen te treffen […] ook indien daarbij tijdelijk inbreuk wordt gemaakt op de geldende rechtsverhoudingen binnen de rechtspersoon, […] mits […] bij het treffen van een zodanige voorziening voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft plaatsgevonden van, de belangen van de betrokken partijen (HR 19 oktober 2001, nr. OK 85, NJ 2002, 92). Dit brengt mee dat de ondernemingskamer iedere voorziening […] mag treffen mits met het oog op de gevolgen ervan een billijke afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden en de noodzaak van deze voorziening voldoende is gebleken. Het laatste is met name ook het geval als naar het oordeel van de ondernemingskamer een minder ingrijpende maatregel niet effectief zou zijn.”
Het is opvallend dat de Hoge Raad het in deze overweging heeft over de belangen van de betrokken partijen. Dat zou de suggestie kunnen wekken dat de Hoge Raad louter het oog heeft op de persoonlijke belangen, die zijn betrokken bij het gegeven geval.
Na de Versatel-II-beschikking verduidelijkte de Hoge Raad echter in navolging van de wetgever5 dat de proportionaliteitstoets van art. 2:349a lid 2 BW zijn oorsprong heeft in de redelijkheid en billijkheid.6 Dat impliceert dat ook met andere belangen rekening moet worden gehouden, namelijk de belangen die tot uitdrukking komen in de wijze waarop partijen hun rechtsverhouding hebben vormgegeven, nu deze mede bepalen wat redelijkheid en billijkheid vereist.7 Tevens impliceert zulks dat rekening moet worden gehouden met de belangen die blijken uit art. 3:12 BW, te weten: de betrokken algemeen erkende rechtsbeginselen, in Nederland levende rechtsovertuigingen en maatschappelijke belangen.
Dat is ook logisch gezien de in de par. 9.2.1.5 uiteengezette reden. In de navolgende paragraaf wordt daarbij nader stilgestaan.