Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.2.4.1
I.3.2.4.1 Eerste ontwerp
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625517:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Immel 1965, p. 117; Zimmermann 1991, p. 20; Halding-Hoppenheit 2003, p. 40.
Immel 1965, p. 120; Zimmermann 1991, p. 20-21; Halding-Hoppenheit 2003, p. 44-45. § 1765 EI bepaalde dat: ‘Besteht die Bedingung, welche einer letztwilligen Verfügung beigefügt ist, in dem bloβen Wollen des Beschwerten oder eines Dritten, so ist die letztwillige Verfügung nichtig.’
Immel 1965, p. 120 spreekt over ‘der Grundsatz, daβ eine Stellvertretung des Erblassers im Willen und in der Erklärung ausgescholossen ist.’
Immel 1965, p. 120. Zie ook Zimmermann 1991, p. 21; Halding-Hoppenheit 2003, p. 45.
Immel 1965, p. 121, die hiervoor drie redenen geeft: ‘Bei der Wollensbedingung hänge es, so argumentierte man, allein von dem Willen des Dritten ab, ob die Verfügung Geltung erlangen solle oder nicht, während die Situation bei der Potestativbedingung [dit is een andere term voor Willkürbedingung , toev. NB] anders sei, weil hier auch andere Gründe eine Rolle spielen könnten als gerade der, dem Bedachten eine Gunst zu erweisen. Das ist die herkömmliche gemeinrechtliche Lehre. Der zweite Grund war die Schwierigheit, eine Grenzlinie zwischen solchen Bedingungen zu ziehen, deren Eintritt allein vom Willen des Dritten abhängt, und denjenigen, bei denen dies nicht der Fall ist. […] Es waren also die Ansichten von Savigny und Brinz, von denen sich der Entwurf leiten liep. Daraus ergibt sich, dap der Entwurf auch einem unselbständigen Willen des Testierenden die rechtliche Anerkennung nicht versagen wollte.’ Zie ook Halding-Hoppenheit 2003, p. 45.
Immel 1995, p. 121.
Immel 1965, p. 117.
Immel 1965, p. 118; Zimmermann 1991, p. 21; Halding-Hoppenheit 2003, p. 41, waarbij Halding-Hoppenheit erop wijst (zo ook Sens 1990, p. 52) dat de mogelijkheid voor erflater om degene aan wie hij de bevoeghdeid verleent als begunstigde uit te sluiten, niet bij de argumentatie wordt genoemd. Haars inziens zal dit argument dan ook niet zwaar hebben gewogen.
Immel 1965, p. 118; Zimmermann 1991, p. 21; Halding-Hoppenheit 2003, p. 42.
Immel 1965, p. 118: ‘Mit dieser Entscheidung hat sich der Entwurf von den römischen Quellen und der daran anknüpfenden gemeinrechtlichen Lehre frei gemacht und konsequent den unvollständigen erblasserwillen acuh bei solchen letztwilligen Verfügungen abgelehnt, die durch Fremdermessen ergänzt werden sollten.’
Immel 1965, p. 118-119; Halding-Hoppenheit 2003, p. 42-44.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 43. Zie hierover ook Immel 1965, p. 118-119; Zimmermann 1991, p. 2122.
‘Einerseits konnte durch eine derartige Umdeutung dem Willen des Erblassers eher Rechnung getragen werden als durch Ungültigkeit der Verfügung, andererseits war damit die unerwünschte Beteiligung eines Dritten bei der Auswahl des Bedachten ausgeschaltet’, aldus Zimmermann 1991, p. 22. Zie ook Immel 1965, p. 119; Halding-Hoppenheit 2003, p. 43.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 43.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 43-44.
Sagel-Grande 2004, p. 40. Het eerste ontwerp leunde te veel op de pandectenwetenschap en hield minder rekening met de moderne economische en sociale problemen.
In het eerste ontwerp heeft men ervoor gekozen om van het beginsel van de materielle Höchstpersönlichkeit uit te gaan en principeel van erflater een onafhankelijke en volledig geuite wil te verlangen.1 Het werd dan ook niet toegestaan om de werking van een uiterste wilsbeschikking afhankelijk te maken van andermans wil. Wollensbedingungen waren anders gezegd ontoelaatbaar (§ 1765 EI).2 De keuze om uiterste wilsbeschikkingen onder dergelijke Bedingungen te sanctioneren, hing samen met het uitgangspunt van § 1911, 1941 E I (het formele aspect van het hoogstpersoonlijke) dat bepaalde dat vertegenwoordiging ten aanzien van de uiterste wilsbeschikking niet is toegestaan.3 En werd beargumenteerd met het gegeven dat een dergelijke bepaling een noodzakelijke aanvulling vormt op de formelle Höchstpersönlichkeit:
‘In den Motiven [Mot. V S. 30] ist dies damit begründet, es liege in dieser Heranziehung des fremden Willens doch immer eine Art der Übertragung der Testamentserrichtung (curs. NB).’4
Willkürbedingungen, ofwel voorwaarden die bewerkstelligen dat de werking van een uiterste wilsbeschikking afhankelijk is van het handelen van een derde, werden daarentegen in lijn met de voorgaande perioden (zie 3.2.2 en 3.2.3) wel toegelaten.5
In het kader van wilsafhankelijke voorwaarden is in het eerste ontwerp, zo geeft Immel aan, niet expliciet ingegaan op ‘das billige Ermessen des Dritten oder Beschwerten als Bedingung’ ofwel op een uiterste wilsbeschikking die afhankelijk is gemaakt van andermans redelijk oordeel:
‘Das billige Ermessen des Dritten oder Beschwerten als Bedingung hat der Entwurf nicht behandelt. Ein Umkehrschlup auf die Zulässigkeit einer derartigen Bedingung ware zwar möglich. Damit steht aber § 1770 EI in gewissem Widerspruch, der absichtlich so allgemein gefaβt worden war, dap zweifelsfrei sowolh das blope Wollen als auch das vernünftige Ermessen von der Vorschrift erfapt wurden (cus. NB).’6
§ 1770 E I bepaalde dat:
‘1. In einer letztwilligen Verfügung kann von dem Erblasser die Bestimmung der Person, welche eine Zuwendung erhalten soll [oftewel, het subject van de verkrijging, toev. NB], nicht dem Beschwerten oder einem Dritten überlassen werden.’
2. Sind von dem Erblasser mehrere Personen bezeichnet, unter welchen die Wahl getroffen werden soll, so finden die Vorschriften des § 1769 entsprechende Anwendung (curs. NB).’
Immel geeft in het zojuist aangehaalde citaat aan dat uit de algemene bewoordingen van § 1770 EI, dat in feite betrekking had op de wezenlijke inhoud van de uiterste wilsbeschikking, ondubbelzinnig naar voren komt dat zowel een van andermans wil, als een van andermans redelijk oordeel afhankelijk gemaakte uiterste wilsbeschikking niet mogelijk was. Ik begrijp uit zijn citaat dat dit ook het geval was indien het de werking van de uiterste wilsbeschikking betrof.
§ 1770 in samenhang met § 1777 EI vormde een delegatieverbod ten aanzien van de wezenlijke inhoud van een uiterste wilsbeschikking (vgl. het huidige Drittbestimmungsverbot van § 2065 II BGB). § 1770 IE I verbood dat erflater een uiterste wilsbeschikking maakte waarbij hij het aan (de wil of het redelijk oordeel van) de bezwaarde of een derde overliet om het subject van de verkrijging (‘der Person, welche eine Zuwendung erhalten soll’) te bepalen. § 1777 I E I bepaalde hetzelfde voor het object van de verkrijging (‘die Zuwendung’):
‘1. In einer letztwilligen Verfügung kann von dem Erblasser die Bestimmung des Gegenstandes einer Zuwendung [het object van de verkrijging, toev. NB] nicht einem Anderen überlassen werden.’
De reden hiervoor hing, gelijk de keuze om wilsafhankelijke voorwaarden niet toe te staan (§ 1765 EI), eveneens samen met het formele aspect van het hoogstpersoonlijke dat vertegenwoordiging bij het maken van de uiterste wilsbeschikking niet toestond:
‘Die letztwillige Verfügung ist daher in formeller Hinsicht höchstpersönlicher Natur. Den Einwand, der Testator treffe auch dann selbst eine Verfügung, wenn Seine Anordnungen in bezug auf die Person des Bedachten und den Gegenstand der Zuwendung von einem Dritten ergänzt werden müβten; diese Unterscheidungen zwischen dem, Disponiren und dem Ergänzen des Disponirten’ lehnten die Motive ab und begründeten dies damit, daβ hierin auch eine Art der Übertragung der Testamentserrichtung liege (curs. NB).’7
Bovendien werd, als tweede argument, genoemd de Unvollständigkeit van een dergelijke beschikking, die door een ander nader kan worden ingevuld. Tot slot werd er gewezen op een misbruikrisico van degene aan wie erflater de bevoegdheid verleent. Deze zou bijvoorbeeld zichzelf als begunstigde kunnen aanwijzen, zo was de gedachte.8
Zoals ik hiervoor reeds opmerkte, viel onder dit verbod van § 1770 jo. § 1777 EI ook das Ermessen, ofwel het redelijk oordeel, van een ander.9 Dit werd beargumenteerd met het gegeven dat ook in dergelijke gevallen, waarin het redelijk oordeel van een ander bepaalt wie verkrijgt of wat verkregen wordt, sprake is van een onvolledige uiterste wilsbeschikking. Het ontwerp is in de toepassing van het Drittbestimmungsverbot zodoende consequenter dan bijvoorbeeld het Romeinse recht.10 Niettemin kon in het eerste ontwerp van het BGB toch ook een indirecte beperking op het Drittbestimmungsverbot worden bespeurd.11 § 1770 II E I bepaalde namelijk dat:
‘Sind von dem Erblasser mehrere Personen bezeichnet, unter welchen die Wahl getroffen werden soll, so finden die Vorschriften des § 1769 entsprechende Anwendung (curs. NB).’
Indien erflater meerdere personen aanwijst waarvan er één gekozen dient te worden, zijn de voorschriften van § 1769 EI van toepassing. Wat schreef § 1769 E I dan voor?
‘Abs. I: Sind in einer letztwilligen Verfügung mehrere Personen in der Weise als Erben eingesetzt, dass nur die eine oder die andere dieser Personen Erbe sein soll, so gelten die mehreren Personen als zu Miterben eingesetzt.
Abs. II: Sind in einer letztwilligen Verfügung mehrere Personen in der Weise mit einem Vermächtnis bedacht, dass nur die eine oder die andere dieser Personen das Vermächtnis erhalten soll, so gelten die mehreren Personen als Gesamtgläubiger. Die Person, welche das Vermächtnis erhält, ist im Zweifel zur Theilung nicht verpflichtet (curs. NB).’
§ 1770II E I jo. § 1769 EI leidde dus tot ‘eine Umdeutung der Auswahlanordnung des Erblassers in eine Erbeinsetzung aller zur Wahl Gestellten als Miterben.’12 Ofwel indien de erflater meerdere personen aanwijst waarvan maar één erfgenaam dient te zijn, dan zorgden § 1770 II E I jo. § 1769 E I ervoor dat alle genoemde personen mede-erfgenamen zijn.13 Halding-Hoppenheit merkt hierbij op dat dit eigenlijk niet de intentie van erflater zal zijn. Deze wil immers juist met zijn keuzeverlening bewerkstelligen dat de door de derde aangewezen persoon (alleen) de erfgenaam zal zijn. § 1770 II E I jo. § 1769 E I vormden voor de erfstelling dan ook geen echte uitzondering op het Drittbestimmungsverbot.14 Anders is dit bij de legaten waarvoor de zojuist genoemde artikelen bepalen dat de door de erflater aangewezen personen hoofdelijk schuldeiser worden. Degene die het legaat ontvangt, is evenwel niet tot deling verplicht. Volgens Halding-Hoppenheit zou er in dit geval, indien het ontwerp wet geworden was, wel sprake zijn van een echte uitzondering.15
Omdat het eerste ontwerp van het BGB in het algemeen nog veel kritiek ontving,16 werd een tweede commissie ingesteld om te werken aan een nieuw ontwerp, waardoor ook opnieuw gekeken werd naar de erfrechtelijke regels. Hoe werd met de materielle Höchstpersönlichkeit omgegaan in dit tweede ontwerp?