Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/7.2.4
7.2.4 Geschiktheidseisen en accreditatie
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS388565:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rapport van de Commissie van Onderzoek DSB Bank, 23 juni 2010. Zie Kamerstukken II 32 043 (Toekomst pensioenstelsel) en 32 545 (Wet- en regelgeving financiële markten), nr. 24
1.5 Beleidsregel geschiktheid 2012 (Stcrt. 2012, 13546). Zie ook Rapport Commissie Ottow 2017, bijlage bij Kamerstukken II 2016-2017, 32 648, nr. 14, p. 39 e.v.
1.6 onder 2 Beleidsregel geschiktheid 2012.
Rapport Commissie Ottow 2017, p. 18.
De aard van een onderneming beïnvloedt met name de vereiste inhoudelijke geschiktheid inzake de producten, diensten en markten waarop een onderneming actief is. Beleidsbepalers van een (beroeps)pensioenfonds en pensioenverzekeraar hebben bijvoorbeeld kennis van pensioenen en de financiële aspecten die samenhangen met het beheer van belegd vermogen en kennis van verzekeren nodig, terwijl een adviseur in pensioenproducten vooral kennis van pensioenen moet hebben.
Rapport Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties 2014, Kamerstukken II 2014-2015, 33 606, nr. 4, p. 187.
Om precies te zijn: een toegelaten instelling in de zin van de Woningwet.
In bijlage 1 bij het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting worden de volgende karaktereigenschappen genoemd: authenticiteit, bestuurlijk inzicht, helikopterview, integriteit en moreel besef, maatschappelijke (omgevings)sensitiviteit en verantwoordelijkheid, onafhankelijke oordeelsvorming, teamspeler, vakinhoudelijke kennis en visie, voorzittersvaardigheid (indien van toepassing) en zelfreflectie.
Koster 2016 en Van Dongen & Hopmans 2015.
Indien er een geschiktheidstoets ingesteld wordt, dienen de kosten daarvan wel in relatie staan tot de omvang van de instelling. Zie ook Klaassen 2014, p. 642 e.v.
Zie ook Verslag van het overleg van de vaste commissie voor VWS met de Staatssecretaris van VWS, mede naar aanleiding van onderzoeken bij Zorggroep Alliade (Kamerstukken II 2016-2017, 23235, nr. 167).
Persbericht van 24 maart 2016, te vinden op www.nvtz.nl.
www.nvzd.nl. Vijf expertisegebieden vormen de kapstok van de norm, aldus de NVZD: technisch-inhoudelijke expertise, persoonlijke professionaliteit, maatschappelijke inbedding, het zijn van procesarchitect, communicatie en verantwoording afleggen. Het traject bestaat uit het verzamelen van 360 graden feedback, het opstellen van zelfevaluatie, het maken van een ontwikkelplan en een accreditatiegesprek met twee auditoren. Op basis hiervan wordt een advies gegeven aan de accreditatiecommissie die besluit over het al dan niet toekennen van de accreditatie.
Voor twee soorten stichtingen, te weten: pensioenfondsen en woningstichtingen, geldt dat in de wet of daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen en beleidsregels concrete eisen worden gesteld aan de geschiktheid van de leden van de raad van toezicht en dat door een externe toezichthouder wordt getoetst of de leden voldoen aan deze eisen. In de zorg is vooralsnog gekozen voor zelfregulering en een systeem van accreditatie.
Pensioenfondsen
Een pensioenfonds kwalificeert als een financiële onderneming in de zin van de Wet financieel toezicht (Wft). Om die reden valt een pensioenfonds onder artikel 3:8 en 4:9 lid 1 Wft, waarin geschiktheidseisen worden gesteld aan leden van de raad van toezicht. Volgens de Minister van Financiën sluit dit aan bij de ontwikkelingen in de maatschappij die steeds hogere eisen stelt aan de deskundigheid, niet alleen van de dagelijks beleidsbepalers, maar ook van de interne toezichthouders van financiële ondernemingen.1 Het gaat daarbij zowel om kennis en ervaring als om vaardigheden en professioneel gedrag. Bovendien gelden op grond van de eigen regeling voor pensioenfondsen, de Pensioenwet (Pw) en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb), sinds 2013 naast betrouwbaarheidseisen ook geschiktheidseisen voor leden van de raad van toezicht (artikel 106 Pw). Nadat in de Wft de term deskundigheid werd gewijzigd in “geschiktheid”, is deze term ook in de Pw en de Wvb opgenomen. De nieuwe toets die de deskundigheidstoets verving volgde uit de aanbevelingen die waren opgenomen in het rapport van de Commissie Scheltema.2 Volgens dit rapport past de term geschiktheid in sommige gevallen beter bij hetgeen daadwerkelijk wordt getoetst dan de term deskundigheid. “Geschiktheid omvat zowel kennis en vaardigheden als professioneel gedrag. Kritisch vermogen en onbevangenheid zijn een noodzakelijke aanvulling op deskundigheid omdat zij bevorderen dat bestuurders en andere (mede)beleidsbepalers kritisch doorvragen waar dat nodig is”, aldus de MvT bij de Wet versterking bestuur pensioenfondsen.3 Bovendien wordt door de aangescherpte formulering duidelijker hoe de individuele toetsing zich verhoudt tot de toets op aanwezige kennis en kunde in het collectief, aldus de MvT.
De geschiktheid van het (beoogde) lid van de raad van toezicht van een pensioenfonds wordt door DNB getoetst bij een voorgenomen benoeming van een nieuw lid. Hertoetsing kan plaatsvinden indien feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven, aldus de Beleidsregel geschiktheid.4 Elke wijziging in de samenstelling van de raad van toezicht (nieuwe benoemingen maar ook wijzigingen in taakverdelingen) dient gemeld te worden aan de externe toezichthouder. Bij de toetsing neemt DNB ook de samenstelling en het functioneren van de raad van toezicht als geheel in aanmerking.5 De individuele geschiktheid wordt dus bezien in samenhang met de kennis en vaardigheden van de andere zittende leden van de raad van toezicht. Bij de geschiktheidstoets neemt DNB informatie en antecedenten met betrekking tot geschiktheid in aanmerking, dat wil zeggen: het door de pensioenfonds gehanteerde beleid – en de uitkomsten daarvan – voor werving en selectie en voor periodieke beoordeling, het functieprofiel, de (schriftelijk vastgelegde) besluitvorming over selectie van de kandidaat (inclusief de overwegingen die tot de uitkomst hebben geleid) en – voor zover het een herbenoeming betreft – de (schriftelijk vastgelegde) periodieke beoordeling.6
Volgens het rapport van de Commissie Ottow, waarin het toetsingsproces van AFM en DNB is geëvalueerd, is sprake van een indringende toetsing, waarbij niet alleen de financiële kennis van de kandidaten wordt getoetst, maar ook houding en gedrag en of de kandidaat geschikt is voor de specifieke functie, waarbij rekening wordt gehouden met de board dynamics van dat moment.7
De geschiktheidsnorm voor pensioenfondsen is, als gezegd, inhoudelijk uitgewerkt in de Beleidsregel geschiktheid. Daarin wordt een aantal competenties genoemd, zoals authenticiteit, besluitvaardigheid, helikopterview, omgevingssensitiviteit, overtuigingskracht, samenwerkingsvermogen. De wijze waarop voldaan moet worden aan diverse onderwerpen van geschiktheid is afhankelijk van de aard, omvang, complexiteit en het risicoprofiel van een onderneming, aldus de toelichting bij de Beleidsregel geschiktheid.8 De “omvang van een onderneming” kan volgens de toelichting op meerdere aspecten betrekking hebben, zoals het aantal werknemers (hoe meer werknemers des te zwaarder de vereisten ten aanzien van organisatie en communicatie) en het vermogen waarvoor een onderneming verantwoordelijk is (hoe groter het vermogen des te zwaarder de eisen aan financieel technische aspecten en administratieve organisatie). Bovendien worden hogere geschiktheidseisen gesteld naarmate een onderneming complexer is en/of een hoger risicoprofiel heeft, aldus de toelichting op de Beleidsregel Geschiktheid. In de toelichting wordt ook “het maatschappelijke belang” genoemd: hoe meer “klanten” een financiële onderneming heeft, hoe meer eisen gesteld kunnen worden aan evenwichtige en consistente besluitvorming, waarbij “de belangen van klanten en andere stakeholders een centrale positie innemen”, aldus de toelichting. Eisen die gesteld kunnen worden aan besluitvorming komen hierna uitgebreider aan de orde.
Woningstichtingen
Naar aanleiding van aanbevelingen van de in 2013 ingestelde parlementaire enquêtecommissie Woningcorporaties,9 geldt sinds 2015 voor leden van de raad van toezicht van een woningstichting10 een geschiktheidstoets, ook wel fit and proper-test genoemd, die in de Woningwet is opgenomen. Alvorens de raad van toezicht van een woningstichting overgaat tot benoeming van een lid van die raad van toezicht, dient de geschiktheid (en overigens ook de betrouwbaarheid) van de betrokken persoon getoetst te worden door de Autoriteit woningcorporaties (Aw) namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst (artikel 30 Woningwet). Volgens artikel 19 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 blijkt de geschiktheid van het beoogde lid uit diens opleiding, werkervaring, vakinhoudelijke kennis en competenties.11 Vastgesteld wordt of de kandidaat beschikt over de noodzakelijke kennis op het gebied van de aard en werkzaamheden van woningcorporaties, financiën en risico’s. Indien de toezichthouder een positieve zienswijze kenbaar maakt (of niet binnen de wettelijke termijn een zienswijze kenbaar maakt), mag de kandidaat benoemd worden.12
Wettelijke geschiktheidseisen ook voor andere typen stichtingen?
Ook voor andere typen stichtingen waaraan een grote, complexe onderneming is verbonden of stichtingen die een groot vermogen met een hoog risicoprofiel beheren, dat mede is gevormd door bijdragen van derden (zoals fondsenwervende instellingen), kan mijns inziens beargumenteerd worden dat geschiktheidseisen gesteld dienen te worden aan leden van de raad van toezicht. De vraag is echter of dit wettelijke eisen moeten zijn en aan welk criterium (omvang onderneming of vermogen?) deze gekoppeld zouden moeten worden. En wie zou moeten toetsen of aan die vereisten is voldaan? Door wie worden de kosten van de geschiktheidstoets gedragen?13
Bij veel stichtingen zal het uitgangspunt, mijns inziens terecht, zijn dat de raad zijn eigen leden toetst en evalueert (zie hierover hoofdstuk 8). Bij het werven van nieuwe leden en bij de toetsing van de leden zou het formuleren van geschiktheidseisen (en overigens ook integriteitseisen) de raad van toezicht uiteraard wel kunnen helpen. Bij toetsing van de geschiktheid van een potentieel nieuw lid kunnen bijvoorbeeld ook referenties ingewonnen worden. Bij zelfevaluatie is het des te meer van belang dat in een reglement of protocol inzicht wordt geboden in de benodigde competenties en de vereiste expertise binnen de raad van toezicht. Daarbij kan inspiratie worden opgedaan bij de criteria die zijn ontwikkeld in de financiële sector en de woningcorporatiesector. Bovendien kan inspiratie worden opgedaan bij ervaringen die zijn opgedaan met accreditatie van leden van de raad van toezicht van zorginstellingen, waarover hierna meer. In het jaarlijkse verslag kan de wijze van toetsing en evaluatie aan de hand van deze criteria worden uitgewerkt. Het verslag van de raad van toezicht en het onderwerp zelfevaluatie komen in het volgende hoofdstuk nader aan de orde.
Accreditatiestelsel in de zorg
In de zorg is vooralsnog gekozen voor zelfregulering door de sector.14 De Nederlandse Vereniging voor toezichthouders in zorg en welzijn (NVTZ) is in 2017 met een accreditatiesysteem voor raden van toezicht gestart. Aanleiding hiervoor waren de aanbevelingen van de Commissie Brenninkmeijer die eind 2014 naar aanleiding van een verzoek van de NVTZ het rapport ‘De Vrijblijvendheid Voorbij’ uitbracht.15 De accreditatie heeft ten doel de vakontwikkeling van leden van de raad van toezicht en zelfevaluatie door de raad van toezicht te toetsen. Volgens een persbericht van de NVTZ staat centraal in de accreditatie de reflectie op het eigen handelen, waarbij de focus ligt op de raad van toezicht als geheel en niet alleen op de individuele leden.16 Toezichthouders nemen immers hun besluiten ook in gezamenlijkheid, aldus het bericht. De NVTZ heeft zich ten doel gesteld dat in 2020 alle raden van toezicht geaccrediteerd zijn.17
Terwijl het accreditatiestelsel voor toezichthouders nog in ontwikkeling is, geldt voor bestuurders in de zorg reeds een accreditatiestelsel dat in 2013 is opgezet door de Nederlandse Vereniging van Bestuurders in de Zorg (NVZD). Accreditatie is een lidmaatschapseis voor leden van de NVZD. Volgens de website van de NVZD wordt in het accreditatietraject getoetst of bestuurders actief werken aan hun vakontwikkeling en beschikken over zelfreflectief vermogen.18 De NVZD heeft een register van geaccrediteerde bestuurders ingesteld. De accreditatie is vijf jaar geldig.