De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.2.7.3:4.2.7.3 Specifieke (rechtspersoonrechtelijke) gedragsnormen
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.2.7.3
4.2.7.3 Specifieke (rechtspersoonrechtelijke) gedragsnormen
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363609:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 9 juli 1990, NJ 1991, 51 m.nt. Maeijer (Sluis), HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296 m.nt. Maeijer, JOR 2002, 79 m.nt Van den Ingh (Zwagerman I) en HR 12 juni 2013, NJ 2013, 461, m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2013/301 m.nt. Vroom (AFKLM/VEB).
Hof Amsterdam (OK) 13 december 2007, ARO 2008, 2 (e-Traction).
Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42 m.nt. Blanco Fernandez (Stork).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast bovengenoemde algemene gedragsnormen omvat de deelrechtsorde ook meer specifieke gedragsnormen voor concrete gevallen. Het gaat bijvoorbeeld om voorschriften die zijn vastgelegd in de wet, statuten of bij reglement, in de rechtspraak geformuleerde concrete toepassingen van de redelijkheid en billijkheid die zich eveneens lenen voor toepassing op andere gevallen, alsmede door de rechter opgelegde geboden en verboden.
Een voorbeeld van een wettelijke gedragsnorm is art. 2:98/207 BW waarin met zoveel woorden is vastgelegd dat de vennootschap geen aandelen mag verwerven voor zover deze niet zijn volgestort.
Een ander voorbeeld is art. 98d/207d BW waarin is vastgelegd dat een dochtervennootschap niet voor eigen rekening aandelen in het kapitaal van de moedervennootschap mag nemen of doen nemen.
Tot de wettelijke gedragsnormen reken ik ook bepalingen die weliswaar (de vereiste meerderheid van) de aandeelhoudersvergadering een bepaalde bevoegdheid geven, maar deze mogelijkheid tegelijkertijd beperken. In deze beperking schuilt dan een gedragsnorm. Zo volgt uit art. 2:242 lid 1 BW dat (de vereiste meerderheid van) de aandeelhoudersvergadering in de statuten aandeelhouders (deels) kan uitsluiten van het benoemingsproces ten aanzien van bestuurders. De benoemingsbevoegdheid kan worden toegekend aan de vergadering van aandeelhouders van een bepaalde soort (bijvoorbeeld de vergadering van aandelen klasse A benoemt bestuurder A en de vergadering van aandelen klasse B benoemt bestuurder B). Daaraan heeft de wetgever de grens gesteld dat (de vereiste meerderheid van) de aandeelhoudersvergadering niet in de statuten kan bepalen dat een aandeelhouder geheel geen invloed kan uitoefenen op het bestuur. Iedere aandeelhouder moet minstens kunnen deelnemen aan de besluitvorming inzake de benoeming van één bestuurder.
Een voorbeeld van een statutaire gedragsnorm is de doelomschrijving. Hoewel deze in de praktijk vaak ruim zijn, stellen doelomschrijvingen toch beperkingen aan de zakelijke activiteiten waarmee (het bestuur van) de vennootschap zich bezig houdt, alsmede aan de middelen die in dat kader worden ingezet. De statuten kunnen ook meer concrete gedragsnormen bevatten, zoals een dividendbeleid.
Een voorbeeld van een in de rechtspraak geformuleerde concrete toepassing van de redelijkheid en billijkheid die zich eveneens leent voor toepassing op andere gevallen, is dat meerderheidsaandeelhouders een zorgplicht hebben jegens minderheidsaandeelhouders. Een meer concrete toepassing daarvan is dat de winst niet jarenlang mag worden opgepot, indien het belang van de vennootschap zulks niet rechtvaardigt.1
Een voorbeeld van een door de rechter opgelegd verbod is een verbod om een aandeelhoudersvergadering doorgang te laten vinden omdat dit de door de ondernemingskamer getroffen voorzieningen zou doorkruisen,2 of een bepaald besluit in stemming te brengen omdat het nemen van dit besluit in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar was.3
Het aantal van deze meer specifieke gedragsnormen is echter beperkt. In de praktijk bestaat er veel ruimte voor (de meerderheid van) de organen om de toegekende bevoegdheden naar eigen inzicht uit te oefenen. Het is zelden zo dat uit de wet, statuten, verplichting tot een behoorlijke taakvervulling en/of redelijkheid en billijkheid volgt dat in een concreet geval slechts één besluit kan worden genomen (par. 4.5). Ook besluiten met een andere inhoud zijn veelal geoorloofd, alsmede het geheel uitblijven van een besluit.