RvdW 2025/1253:Opzettelijk onjuist doen van aangiften inkomstenbelasting ten name van anderen, meermalen gepleegd, art. 69 lid 2 AWR. Kan verdachte als pleger van tlgd. worden aangemerkt? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 28 januari 2020, NJ 2020/157, m.nt. G.J.M.E. de Bont, inhoudende dat aangifte uitsluitend kan worden aangemerkt als ‘bij belastingwet voorziene aangifte’ indien die aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte betrekking heeft of door degene die uit hoofde van art. 42 tot en met 44 AWR als vertegenwoordiger van belasting- of betalingsplichtige kan optreden. Gelet hierop getuigt ’s hofs oordeel dat verdachte (die onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan voor de in bewezenverklaring genoemde belastingplichtige personen) kan worden aangemerkt als ‘degene die opzettelijk een bij belastingwet voorziene aangifte onjuist doet’ a.b.i. art. 69 lid 2 AWR van onjuiste rechtsopvatting. HR merkt op dat art. 47 tot en met 51 Sr verschillende mogelijkheden bieden om degene die anders dan als pleger betrokken is bij onjuist of onvolledig doen van een bij belastingwet voorziene aangifte, onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die betrokkenheid. Onder omstandigheden kan zo’n gedraging ook opleveren het in art. 225 lid 2 Sr strafbaar gestelde (‘valsheid in geschrift’). Die delictsomschrijving is tot eenieder gericht. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.