Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/5.2.3
5.2.3 Voortgezette handeling
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270197:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie A-G Bleichrodt van 10 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:24, § 48.
Kelk 2012, p. 90.
HR 25 maart 1929, ECLI:NL:HR:1929:25, NJ 1929, p. 1156.
Conclusie A-G Bleichrodt van 10 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:24, verwijst naar De Hullu 2015, p. 558. In De Hullu 2018 is deze kritiek niet (meer) terug te vinden.
Zie de volgende §.
Remmelink 1996, p. 841.
Smidt 1891, p. 479.
Smidt 1891, p. 479.
HR 25 maart 1929, ECLI:NL:HR:1929:25, NJ 1929, p. 1156.
Smidt 1891, p. 479.
Tekst en commentaar Kluwer Navigator, art. 56 WvSr, Machielse, aant. 2.
HR 20 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:1165, NJ 2014/291 en HR 19 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6817, NJ 1980/384.
Tekst en commentaar Kluwer Navigator, art. 56 WvSr, Machielse, aantekening 2.
Conclusie A-G Bleichrodt van 10 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:24, § 59.
Conclusie A-G Bleichrodt van 10 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:24, § 58.
De Graaf 2018, p. 73.
HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, r.o. 2.8. In r.o. 2.9 wordt nog aangegeven dat aangeduide ruimte voor eendaadse samenloop en voortgezette handeling mede steun vindt in het vooral met art. 55, eerste lid, WvSr verwante art. 68 WvSr dat ook dubbele bestraffing wil voorkomen. Ook in dat verband is immers bij de beantwoording van de vraag of sprake is van 'hetzelfde feit' - naast de aan de orde zijnde gedraging van de verdachte - de juridische aard van de aan de orde zijnde feiten relevant, waarbij geen identieke strekking van de desbetreffende strafbepalingen is vereist, maar waarbij vooral van belang is of hun strekking niet wezenlijk uiteenloopt.
Een zodanig sterk verband tussen de feiten dat het ene feit als het ware in het andere opgaat enerzijds, en dat de feitelijke en chronologische samenhang zo sterk is dat de voortgezette handeling een functie vervult anderzijds.
Noot Mevis bij HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111, NJ 2019/111, onderdeel 4 en 10.
Hierover meer in § 5.3.10.
Conclusie A-G Bleichrodt van 10 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:24, § 47.
De term voortgezette handeling veronderstelt enig tijdsverloop tussen de feiten. Daarin verschilt de voortgezette handeling van de eendaadse samenloop, die immers eenheid van tijd verlangt.1 De voortgezette handeling is geregeld in art. 56 lid 1 WvSr:
"Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zichzelf misdrijf of overtreding opleverende, in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, dan wordt slechts één strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld."
De wetgever heeft ook bij de voortgezette handeling gekozen voor een stelsel van absorptie.2 De regeling ziet dus op de vraag welke strafmaat van toepassing is, in geval van gelijktijdige vervolging en bestraffing van eenzelfde feit.
De term voortgezette handeling suggereert ten onrechte dat de toepassing van het leerstuk op omissiedelicten, waarin in een nalaten en een niet handelen strafbaar gesteld zijn, is uitgesloten. De Hoge Raad heeft deze beperking, die niet met de hiervoor besproken ratio van het leerstuk in overeenstemming is, niet aanvaard.3
In de wetsgeschiedenis komt de ratio van art. 56 WvSr niet uitdrukkelijk aan de orde. Volgens De Hullu kan worden geconcludeerd dat het nauwe verband tussen de toepasselijke feiten in de ogen van de wetgever klaarblijkelijk rechtvaardigt dat daaraan ten aanzien van de straftoemeting hetzelfde rechtsgevolg dient te worden verbonden als aan eendaadse samenloop. Tegelijk uit De Hullu kritiek. Waar immers de hele samenloopregeling op redelijkheid en billijkheid is gebaseerd, zijn die kwalificaties volgens De Hullu niet direct van toepassing op de voortgezette handeling. Hij vraagt zich af waarom de psychische omstandigheid dat sprake is van één wilsbesluit (zie verderop) grond zou moeten vormen voor de absorptie van straffen en maakt een vergelijking met het (grote) aantal gevallen waarin sprake is van meerdaadse samenloop terwijl de strafbare feiten gelijktijdig worden begaan.4 Illustratief is het voorbeeld van de verdachte die in kort tijdsbestek twee mensen na elkaar doodschiet, daarbij handelend vanuit één wilsbesluit (voortgezette handeling) en de verdachte die twee mensen met één kogel gelijktijdig doodt (meerdaadse samenloop). In het laatste geval geldt ingevolge de art. 57 en verder WvSr een hoger strafmaximum dan in het eerste.5 Remmelink meent dat aan art. 55 lid 1 WvSr (eendaadse samenloop) een feitelijke eenheid ten grondslag ligt (een natuurlijke handelingseenheid), terwijl ten aanzien van de voortgezette handeling wordt gesproken van een rechtlige Handlungseinheit. Daarmee wordt gedoeld op een door de wetgever geconstrueerde eenheid om tot hetzelfde rechtsgevolg te komen als wanneer sprake is van eendaadse samenloop.6
Aan de tekst van art. 56 WvSr valt te ontlenen dat sprake dient te zijn van meer dan één feit (hierin verschilt de voortgezette handeling onder andere van de eendaadse samenloop). Daarnaast kan uit de wettekst worden afgeleid dat sprake dient te zijn van een zodanig verband tussen de feiten, dat zij als één geheel kunnen worden beschouwd. Uit de tekst van de wet blijkt niet hoe dat verband moet worden vastgesteld. De wetsgeschiedenis maakt duidelijk dat de rechter de bepaling bewust ruim heeft opgezet:
“De wet stelt alleen het beginsel binnen zoo ruim mogelijke grenzen, de toepassing verblijft aan den regter. Of eene reeks van elkander snel opvolgende handelingen meer dan één zelfstandig misdrijf of slechts één (voortgezet) misdrijf oplevert (…) is eene bloot feitelijke vraag, die de wet niet kan uitmaken.”7
Van belang is dat, aldus de wettekst, sprake is van een bepaald verband tussen de gepleegde feiten. De wetsgeschiedenis luidt op dit punt als volgt:
“Waar het (…) op aankomt is, dat de verschillende strafbare feiten de uiting zijn van één ongeoorloofd besluit. Een voortgezet misdrijf kan dus ook alleen ontstaan uit de vereeniging van meerdere soortgelijke feiten. Het plegen van in aard geheel verschillende misdrijven, hoe spoedig die ook op elkander zijn gevolgd, kan nooit worden beschouwd als de uitvoering van een en hetzelfde ongeoorloofd opzet.”8
Kortom: voortgezette handeling komt in beeld indien sprake is van één ongeoorloofd besluit en bij gelijksoortingheid van feiten. De Hoge Raad heeft deze eisen bevestigd in een arrest van 25 maart 1929.9 Deze aspecten lijken met elkaar samen te hangen: als de feiten niet gelijksoortig zijn, zullen deze ook niet snel de uitdrukking vormen van één ongeoorloofd besluit. De minister gaf bijvoorbeeld aan dat aan diefstal en mishandeling nooit hetzelfde ongeoorloofd opzet ten grondslag kan liggen.10 Hetzelfde geldt als feiten elkaar in tijd niet snel opvolgen. De kans is dan groot dat aan elk strafbaar feit een afzonderlijk wilsbesluit ten grondslag ligt, aldus Machielse.11
Wanneer zijn feiten gelijksoortig? De Hoge Raad lijkt de strekking van de strafbepalingen (sinds het arrest van de Hoge Raad van 15 februari 1932 zoals besproken in paragraaf 5.2.2. gaat het hierover) rechtstreeks te relateren aan de gelijksoortigheid van feiten als nodig voor de aanname van een voortgezette handeling.12 Machielse vindt echter dat deze eis niet geheel samenvalt met die van ‘eenzelfde strekking’ bij eendaadse samenloop, omdat ook de Hoge Raad de soortgelijkheid als zelfstandig criterium benoemt voor de voortgezette handeling en de gelijke strekking reserveert voor de eendaadse samenloop.13 Bleichrodt meent dat, hoewel de eis van gelijksoortigheid inderdaad zelfstandig wordt benoemd, uit de rechtspraak niet volgt dat daaraan een andere betekenis toekomt dan aan de strekking van de betrokken strafbepalingen in de zin van art. 55 lid 1 WvSr.14 Met Bleichrodt meen ik dat het vanuit een oogpunt van wetssystematiek in de rede ligt de invulling van de maatstaf van gelijksoortigheid van de feiten af te stemmen op de juridische dimensie van het feitbegrip van art. 55 lid 1 WvSr en daarmee op hetgeen de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest uit 2011 over het begrip feit in de zin van art. 68 WvSr (zie paragraaf 5.2.6.1.) heeft overwogen ten aanzien van de juridische aard van de feiten. Concreet: in geval van het enigszins uiteenlopen van de strekkingen van de betrokken strafbepalingen is nog niet uitgesloten dat een voortgezette handeling wordt aangenomen.15
Opgemerkt moet worden dat ook in geval van chronologisch kort op elkaar volgende handelingen sprake kan zijn van een feitelijke samenhang, terwijl de feiten niet gelijksoortig zijn. Dit komt dan door het wilsbesluit, dat voor beide opeenvolgende niet gelijksoortige handelingen hetzelfde is. De Graaf schrijft dat het gegeven dat de strafbare feiten soortgelijk moeten zijn, niet betekent dat sprake moet zijn van herhaald strafbaar handelen dat telkens valt onder dezelfde delictsomschrijving. Dat blijkt reeds uit artikel 56 lid 1 WvSr, waarin is opgenomen dat de zwaarste bepaling wordt toegepast wanneer de delictsomschrijvingen van elkaar verschillen.16
In de overzichtsarresten van 20 juni 2017, die in de voorgaande paragraaf reeds aan bod zijn geweest, heeft de Hoge Raad benadrukt dat de samenloopregeling – en dan meer in het bijzonder (de eendaadse samenloop en) de voortgezette handeling – daadwerkelijk voldoende ruimte moet bieden om ongewenste samenloop te voorkomen. In het bijzonder verdient, zo meende ook Bleichrodt in zijn conclusie, aandacht dat de rechter ruimte heeft voor het aannemen van (eendaadse samenloop of) voortgezette handeling, ook indien de bewezenverklaring valt onder meerdere strafbepalingen met een enigszins uiteenlopende strekking. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het wilsbesluit) zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Het voorgaande brengt mee dat het toepassingsbereik van deze regeling ruimer is dan wellicht kon worden afgeleid uit eerdere rechtspraak waarin vooral de verschillen in de strekking van de betrokken strafbepalingen centraal stonden, aldus de Hoge Raad.17
Mevis merkt op dat voor eendaadse samenloop en voortgezette handeling inhoudelijk verschillende criteria bestaan,18 maar dat deze verschillen op het abstracte niveau als het ware oplossen in de vergelijkbare strekking van beide leerstukken, namelijk het voorkomen van onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing bij een gelijktijdige berechting van verschillende, mogelijk sterk samenhangende strafbare feiten. Volgens hem heeft de Hoge Raad met de arresten de nadruk gelegd op de ruimte die de feitenrechter heeft om te bezien in hoeverre met verschillende feiten (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.19
Tot slot: de voortgezette handeling verschilt van het voortdurend delict.20 Bleichrodt schrijft dat het bij een voortgezette handeling gaat om meer bewezenverklaarde strafbare feiten, die in zodanig verband met elkaar zijn begaan dat zij moeten worden beschouwd als een voortgezette handeling, terwijl het voortdurend delict juist als één strafbaar feit wordt beschouwd.21