Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.11.2
5.11.2 Jurisprudentie inzake de verhouding tussen de artt. 2:216 en 2:11 BW
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS306122:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Gelderland 16 maart 2016, JOR 2016, 187 (Walas c.s/PMR c.s.). Eerder hadden PMR c.s. reeds een kort geding geëntameerd tegen Walas c.s. Zie: Rechtbank Gelderland (Voorzieningenrechter) 17 februari 2014, JOR 2015, 63 (PMR c.s./Walas c.s.).
Rechtbank Gelderland 16 maart 2016, JOR 2016, 187 (Walas c.s/PMR c.s.), r.o. 4.4.
Rechtbank Gelderland 16 maart 2016, JOR 2016, 187 (Walas c.s/PMR c.s.), r.o. 4.13.
Rechtbank Gelderland 16 maart 2016, JOR 2016, 187 (Walas c.s/PMR c.s.), r.o. 4.19.
Bier 2016, par. 3.
Over het huidige art. 2:216 BW – zeker in combinatie met art. 2:11 BW – bestaat nog niet veel jurisprudentie. In een zaak voorgelegd aan de Rechtbank Gelderland1 was sprake van een bestuurde rechtspersoon (“Carbon6”) die bestuurd werd door een rechtspersoon-bestuurder (“Hudson”), die bestuurd werd door “Walas Europe” (eveneens een rechtspersoon), waarvan “World of Walas” rechtspersoon-bestuurder was, welke laatstgenoemde rechtspersoon eveneens bestuurd werd door een rechtspersoon (“PMR”). PMR werd bestuurd door een natuurlijk persoon (De Bruin). Elke bestuurder is enig aandeelhouder van de door hem bestuurde rechtspersoon. Anders gezegd: De Bruin was enig bestuurder en aandeelhouder van PMR en indirect aandeelhouder van World of Walas, Walas Europe, Hudson en Carbon6.
De “laagstgelegen” bestuurde rechtspersoon (Carbon6) had ingevolge een daartoe strekkend besluit een bedrag ad EUR 250.000 uitgekeerd aan zijn direct bestuurder Hudson, waarna iedere (indirecte) aandeelhouder/bestuurder op zijn beurt een soortgelijk dividendbesluit nam, het betreffende besluit goedkeurde en een soortgelijke uitkering deed. Uiteindelijk kwam de dividenduitkering derhalve terecht bij De Bruin. Eisers in de betreffende zaak (de bestuurde rechtspersoon Carbon6, alsmede Hudson, Walas Europe en World of Walas) stellen dat die uitkering “uit Carbon6” in strijd was met het bepaalde in art. 2:216 BW. Zij vorderen veroordeling van PMR en De Bruin tot terugbetaling van een bedrag ad EUR 250.000. De rechtbank geeft aan dat het in deze zaak vooral gaat om de vraag of De Bruin en PMR “op de voet van art. 2:11 BW” als middellijk bestuurders van Carbon6 zijn aan te spreken uit hoofde van art. 2:216 leden 2 en 3 BW.2 De rechtbank oordeelt dat PMR en De Bruin het onderhavige dividendbesluit hebben goedgekeurd als middellijk bestuurders zonder dat een goed inzicht bestond in de cijfers van de onderneming.3 De rechtbank veroordeelt beide personen “als (middellijk) bestuurders” hoofdelijk tot betaling aan eisers van een bedrag ad EUR 250.000.4
Blijkens de uitspraak gaat de rechtbank er mijns inziens terecht van uit dat art. 2:11 BW betrekking heeft op de aansprakelijkheid op grond van art. 2:216 BW. Het betreft namelijk een wettelijke grond voor bestuurdersaansprakelijkheid (zie hierna). Bier wijdt in haar annotatie bij de betreffende uitspraak een korte passage aan de wijze waarop de rechtbank art. 2:11 BW toepast in het onderhavige geval.5 Bier schrijft dat men bij de toepassing van art. 2:11 BW niet als het ware in een keer kan doorpakken naar de uiteindelijke tweedegraads bestuurder. Men dient dat steeds – zoals zij het uitdrukt – “stap voor stap” per rechtspersoon-bestuurder te doen. Om die reden vreest Bier dat art. 2:11 BW in de onderhavige uitspraak niet juist is toegepast. Ik deel de mening van Bier dat het erop lijkt dat de rechtbank art. 2:11 BW niet (geheel) juist heeft toegepast. De rechtbank gaat bijvoorbeeld niet (expliciet) in op de aansprakelijkheid van eerstegraads rechtspersoon-bestuurder Hudson (nota bene: één van de eisende partijen). De rechtbank lijkt geen verschil te maken tussen een bestuurder en een (zoals zij het uitdrukt) “middellijk bestuurder”. In elk geval is de rechtbank erg onduidelijk over de wijze waarop zij art. 2:11 BW toepast.
Anders dan Bier, ben ik van mening dat art. 2:11 BW niet vereist dat men “stap voor stap” doorpakt (naar tweedegraads bestuurders). Voor de onderbouwing van mijn standpunt verwijs ik naar hetgeen ik daarover in onder meer par. 3.6.3 opmerkte. Overigens had de rechtbank mijns inziens wel bovenaan in de verticale keten van bestuurders kunnen beginnen met toepassing van art. 2:11 BW, indien zij zou hebben geconstateerd dat bijvoorbeeld PMR als (mede-)beleidsbepaler van Carbon6 was opgetreden. Art. 2:216 lid 4 BW bevat namelijk voor toepassing van lid 3 van dat artikel een gelijkstelling van de bestuurder met de (mede-)beleidsbepaler.
Een “stap voor stap”-benadering past mijns inziens niet bij art. 2:11 BW. Iets anders is dat wel sprake kan zijn van een “stap voor stap”-benadering indien – zoals in het geval voorgelegd aan de rechtbank – sprake is van (besluiten strekkende tot) (dividend)uitkeringen door verschillende rechtspersonen. Carbon6 keert namelijk een bedrag uit aan haar enig aandeelhouder. Die aandeelhouder keert weer een bedrag uit aan zijn aandeelhouder enzovoorts. Voor toepassing van art. 2:216 BW kan men zich bij elke “uitkerende vennootschap” afvragen of de betreffende vennootschap na uitkering kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. In dat kader is derhalve mijns inziens wél sprake van een “stap voor stap”-benadering.