De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.8.4.5:4.8.4.5 Het instellingsexamen in het middelbaar beroepsonderwijs en de tentamens in het hoger onderwijs
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.8.4.5
4.8.4.5 Het instellingsexamen in het middelbaar beroepsonderwijs en de tentamens in het hoger onderwijs
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949471:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 4.1a.1, tweede lid, van de Web.
Artikel 7.12c van de Whw.
Louw 2011, p. 417 en Buiting 2018, p. 18 en Huisman 2020, p. 12.
Artikel 7.12a, tweede lid van de Whw en artikel 7.4.5, derde lid, van de Web.
Kamerstukken II 2008/09, 31 821, nr. 3, p. 28, Zoontjens en van Berkel 2020, 49 en Louw 2011, p. 417.
Artikel 7.12, tweede lid van de Whw en artikel 7.4.5, eerste lid, van de Web.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het middelbaar beroepsonderwijs is formeel de examencommissie bevoegd de uitslag van het instellingsexamen vast te stellen.1 Ook in dat geval worden de examens in de praktijk afgenomen en beoordeeld door de betreffende leraar, ook in de Web is bepaald dat aan de leraar een zelfstandige verantwoordelijkheid toekomt voor het beoordelen van de onderwijsprestaties van studenten.2 In het hoger onderwijs benoemt de examencommissie examinatoren om het tentamen af te nemen en te beoordelen.3 Dit is doorgaans de leraar die het betreffende vak geeft. De examinator is exclusief bevoegd om het betreffende tentamen af te nemen en de uitslag daarvan vast te stellen. Deze bevoegdheid is geattribueerd aan de examinator.4 Zoals geschetst in § 3.6.6 vloeit uit de academische vrijheid immers ook het recht voort om de tentamens af te nemen en te beoordelen.
In het middelbaar beroepsonderwijs en in het hoger onderwijs is de taak om het examen af te nemen aan respectievelijk de examencommissie en de examinator geattribueerd. Het bevoegd gezag heeft daardoor geen mogelijkheden om andere actoren, zoals het schoolbestuur, invloed te laten uitoefenen op de beoordeling en de vaststelling van de uitslag van het examen. Het moet dit aan de examencommissie of examinator overlaten. De bevoegdheid om examens af te nemen is immers geattribueerd aan specifieke actoren binnen de instelling. Daarnaast is, zoals toegelicht in § 4.8.3, in de Whw en de Web bepaald dat de examencommissie onafhankelijk is.5 Uit de memorie van toelichting van de Wet versterking besturing blijkt expliciet dat de examencommissie niet in een hiërarchische relatie staat tot het bevoegd gezag, ook blijkt dat dit mutatis mutandis eveneens geldt voor examinatoren.6 Het bevoegd gezag kan de examencommissie, en in het hoger onderwijs de examinatoren, dan ook geen instructies in individuele gevallen geven. Dat is mijns inziens geen bezwaar. De examencommissie heeft immers tot taak om ten behoeve van het bevoegd gezag de kwaliteit van de examinering te borgen en is hiertoe deskundig.7