De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/6.3.1:6.3.1 Strafrecht ten opzichte van civiel recht
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/6.3.1
6.3.1 Strafrecht ten opzichte van civiel recht
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS383766:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.4.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
• Wat is de positie van het slachtoffer op emotioneel/psychisch, financieel en sociaal gebied?
De handelaar heeft een oogmerk van uitbuiting en hij werft daarvoor slachtoffers met behulp van diverse beïnvloedingsmiddelen. De exploitant beweegt slachtoffer door de inzet van beïnvloedingsmiddelen tot arbeid en is strafbaar als zijn gedraging is begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.1 Ook bij de importeur en exporteur van seksuele dienstverleners is alleen sprake van een strafbaar feit als uitbuiting kan worden verondersteld. Bij deze dadergroepen is dus ofwel een oogmerk van uitbuiting vereist of is de uitbuiting verondersteld aanwezig.
Uitbuiting behelst mogelijk een inbreuk op andermans negatieve vrijheid en betreft in ieder geval een situatie van oneerlijk economisch gewin over een ander. Een slachtoffer dat zich laat werven voor uitbuiting verkeert in een ongunstige positie ten opzichte van de handelaar. Dat geldt evenzo voor een slachtoffer dat zich laat bewegen tot uitbuiting door de exploitant of de importeur dan wel exporteur van seksuele dienstverleners. Er bestaat een machtsverschil; dat kan op emotioneel/psychisch, financieel of sociaal gebied zijn. Als dat niet zo zou zijn, zou het slachtoffer zich doorgaans niet lenen voor een voor hem ongunstige dienstverlening. De zwakke positie kan ervoor zorgen dat het slachtoffer geen civiele zaak aanspant. Het slachtoffer kan zich bijvoorbeeld afhankelijk voelen van de handelaar, de exploitant of de importeur dan wel exporteur wat betreft inkomen en vestiging of bang zijn dat de dader (nog meer) dwangmiddelen tegen hem inzet als hij naar de rechter stapt. Proceskosten kunnen eveneens belemmerend werken.
Slachtoffers van (vermeende) uitbuiting kunnen voorts moeilijk traceerbaar zijn doordat ze de Nederlandse taal niet spreken of geen weet hebben van de juridische mogelijkheden. Ook kunnen slachtoffers moeilijk vindbaar zijn omdat ze zich bewust op de achtergrond houden vanwege psychologische of sociale omstandigheden. De handhaving van de handelaar, de exploitant en de importeur en exporteur van seksuele dienstverleners kan dan een incidentele onevenwichtige kwestie worden waarbij het ontbreekt aan continuïteit in beleid.
De tekstuele reikwijdte van de strafbepalingen jegens de exploitant en de importeur en exporteur van seksuele dienstverleners (de subleden 4 en 3 van artikel 273f lid 1 Sr) is groot. Het is mede vanuit de positie van het slachtoffer correct dat de Hoge Raad deze bepalingen heeft beperkt door uitbuiting als impliciet bestanddeel in te lezen. Als de Hoge Raad dit niet had gedaan zou de exploitant die personen door ‘een feitelijkheid’ beweegt tot arbeid, diensten of orgaandonatie strafbaar zijn. Hier hoeft helemaal geen sprake te zijn van een machtsverschil. Het strafrecht komt hier dan ook oneigenlijk voor. Ook de seksuele dienstverlener die wordt geworven om in een ander land te werken – zonder dat sprake is van uitbuiting – kan daarover in vrijheid beslissen. Dat laat ruimte voor afhandeling binnen het civiel recht. Een burger die vrijwillig meegaat met een ander, maar die later ontevreden is over zijn behandeling kan zelf naar de rechter stappen.
Bij de kinderhandelaar en kinderuitbater is al snel sprake van een machtsverschil ten opzichte van het minderjarige slachtoffer. Het verschil in leeftijd en ontwikkeling plaatst het kind op emotioneel en sociaal gebied in een minderwaardige positie waardoor het mogelijk geen civiele zaak aanspant.
De profiteur in sub 6 behaalt voordeel uit de uitbuiting van een ander. Net als hiervoor is betoogd, verkeert een slachtoffer dat zich laat uitbuiten per definitie in een zwakke positie ten opzichte van zijn uitbuiters of profiteurs. De zwakke positie kan betrekking hebben op emotioneel/psychisch, financieel of sociaal gebied. Als het slachtoffer niet in een ongunstige positie zou verkeren, dan zou het zich niet lenen voor een situatie van uitbuiting. De slechte positie kan ervoor zorgen dat het slachtoffer geen civiele zaak aanspant.
De profiteur van orgaandonatie in sub 7 verkeert in een sterke positie ten opzichte van het slachtoffer voor zover dit slachtoffer tot donatie is gebracht door dwang, bedreiging, misleiding of misbruik. Die zwakke positie van de donor kan verhinderen dat hij een civiele zaak begint. Bij de donor die door ‘een feitelijkheid’ is bewogen tot orgaandonatie, hoeft helemaal geen ongelijke positie aan de orde te zijn. Het strafrecht komt op dit punt dan oneigenlijk voor.
De profiteur in sub 8 trekt voordeel van kinderen in de seksindustrie en de orgaanindustrie. Als gezegd staan kindslachtoffers alleen al kwetsbaar tegenover volwassen daders vanwege een verschil in leeftijd en ontwikkeling. De inzet van strafrecht bij de profijttrekkers van de handel in kinderen is dan ook verklaarbaar.
Tot slot behaalt de profiteur in sub 9 voordeel uit andermans seksuele dienstverlening of orgaandonatie. Indien het voordeel trekken gepaard gaat met dwang, geweld, dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding en misbruik wordt het slachtoffer in een zwakke positie bewogen en is strafrechtelijke handhaving te begrijpen. Indien het voordeel trekken samen is gegaan met de inzet van het middel ‘feitelijkheid’ vormt het strafrecht geen geëigende afdoeningsmodaliteit. Concluderend is de inzet van het strafrecht bij de profiteur begrijpelijk indien de profiteur zich in een sterkere positie bevindt dan het slachtoffer. Indien geen sprake is van een machtsverschil, ligt het strafrecht minder voor de hand.
• Is handhaving in het belang van de gemeenschap in het algemeen of dient het slechts een particulier belang?
De strafbaarstelling van de mensenhandelaar, de exploitant en de importeur en exporteur van seksuele dienstverleners is gericht op bescherming van slachtoffers van uitbuiting. De bescherming van slachtoffers dient het particuliere belang van het slachtoffer, maar is ook in het belang van een samenleving die de uitbuiting van burgers wenst tegen te gaan.
Het aanpakken van deze daders binnen het strafrecht in plaats van (of in ieder geval naast) het civiele recht valt dan ook te verantwoorden.
Net zoals vanuit de positie van het slachtoffer in de vorige vraag, is het vanuit het algemeen belang te begrijpen dat de Hoge Raad de reikwijdte van de subleden 4 en 3 heeft ingeperkt. Het verbod in sub 4 ziet tekstueel op uitbating en niet alleen op uitbuiting. De strafbaarstelling van uitbaters dient niet per definitie het algemeen belang, daar werknemers mogelijk vrijwillig bereid zijn onder de omstandigheden van sub 4 te werken (zie daarvoor voorbeelden genoemd in § 3.4.4). De strafbaarstelling van de uitbater in sub 4 is wat dat betreft niet evident. Hetzelfde geldt voor de ruime tekstuele bepaling in sub 3. De strafbaarstelling van vrijwillige seksuele dienstverlening is in Nederland niet van generale betekenis, getuige het Nederlandse legale prostitutiebeleid. Nederlandse inwonenden kunnen worden aangetrokken om in de prostitutie te werken. Het is dan niet begrijpelijk waarom het in het algemeen belang zou zijn een ander beleid te hanteren ten aanzien van mensen die buiten Nederland afkomstig zijn. De striktere lezing van de subleden door de Hoge Raad waarbij uitbuiting een impliciet bestanddeel betreft, zorgt ervoor dat de verboden inhoudelijk gezien toch een generaal belang dienen.
Verder heeft Nederland zich als algemeen doel gesteld vormen van kinderhandel en kinderuitbuiting (waaronder de wetgever de uitbating van kinderen in de seksindustrie en orgaanindustrie schaart) te bestrijden. Handhaving is dus niet alleen van betekenis voor het kind, maar heeft ook de interesse van de samenleving. Strafrechtelijke afdoening naast of in plaats van civielrechtelijke is niet onbegrijpelijk gelet op de zwakke positie van de minderjarige en het feit dat het verbod van kinderhandel en kinderuitbating tevens maatschappelijk gewicht wordt toegekend.
De strafbaarstelling van de profiteur die is gericht op bescherming van slachtoffers van uitbuiting en kindslachtoffers in de seksindustrie en de orgaanindustrie dient wel degelijk een particulier en generaal belang. De criminalisering van profiteurs in de orgaanhandel of de seksindustrie waarbij geen sprake is van uitbuiting, is minder nadrukkelijk in het belang van de gemeenschap. Indien de profijttrekking evenwel gepaard gaat met beïnvloedingsmiddelen die het slachtoffer in een zwakke positie brengen, valt het strafrecht toch te verantwoorden.