Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/2.8
2.8 Belanghebbenden en de grenzen van de rechtsstrijd
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196950:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
2.7.
Voor overzichten van die discussie zie Geerts 2004, p. 3.3.2., en concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2007:AZ8210, bij HR 30 maart 2007, ARO 2007/68 (ATR-Leasing), nr 5.9. Zie hierover ook 2.7.
Hermans 2003, p. 155. In zijn dissertatie beschrijft hij de stand van zaken na de ATRbeschikking (Hermans 2017, p. 2.1.4.).
Geerts 2004, p. 3.3.2.
A-G Timmerman sloot zich aan bij dit standpunt (concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2007:AZ8210, bij HR 30 maart 2007, ARO 2007/68 (ATR-Leasing)).
P.G.F.A. Geerts, annotatie bij HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, ONDR 2007/111, 5.
HR 8 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:316, ARO 2019/93 (Cordial, Turnham, Bab) (ook aangeduid met ‘de zaak Bab’). Het betreft een Curaçaose zaak.
Concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2018:1513, bij HR 8 maart 2019, ARO 2019/93, nr. 3.12-3.15.
Concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2018:1513, bij HR 8 maart 2019, ARO 2019/93, nr. 3.16. Het vereiste om in de voorfase bezwaren bekend maken – dat dient ter bescherming van de rechtspersoon – stelt grenzen aan de omvang van het partijdebat, dat weer het streven naar materiële waarheidsvinding begrenst. Ik merk op dat materiële waarheidsvinding ook het belang van de rechtspersoon kan dienen. Het is dus mogelijk, dat zijn belang om in zijn processuele positie beschermd worden en zijn belang bij waarheidsvinding op dit vlak niet parallel lopen.
HR 8 maart 2019 ARO 2019/93 (Bab), r.o. 3.4.3. Of er voldoende samenhang is hangt af van de omstandigheden van het geval. Voor een gedetailleerder omschrijving van de inhoud van de begrippen ‘nauw verband’ en ‘voldoende samenhang’ in deze context, zie concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2018:1513, bij HR 8 maart 2019, ARO 2019/93, nr. 3.13 en 3.15.
HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, ARO 2007/68 (ATR-Leasing), r.o. 4.4.
[80] De vooraanstaande plaats van het belang van de rechtspersoon komt tot uitdrukking in de manier waarop de rechter de relevante betrokken belangen weegt bij het nemen van zijn beslissing. Voordat hij aan de afweging toekomt, moet eerst worden vastgesteld welke belangen in de afweging betrokken moeten of mogen worden. Dat leidt tot de vraag welke partijen belangen onder de aandacht van de rechter kunnen brengen. En wat de belanghebbende betreft, hoe hij dat doet. Kiest hij voor zijn verweerschrift (artikel 282 lid 1 Rv) of voor de vorm van een zelfstandig verzoek dat in dat verweerschrift vervat mag zijn (artikel 282 lid 4 Rv)? Deze vragen hangen samen met de vraag wie of wat eigenlijk de grenzen van het speelveld van de enquêterechter bepaalt.
De contouren van de bewegingsruimte van de rechter worden, ook in het enquêterecht, allereerst getekend door de artikelen 23 en 24 Rv. Het uitgangspunt is dat partijen de aard en omvang van de rechtsstrijd bepalen. De rechter is gebonden aan de grondslag van het verzoek en het verweer. Hij mag in beginsel niet meer toewijzen dan partijen aan hem hebben gevraagd. Maar zoals al werd aangestipt, beperken in het enquêterecht de door partijen getrokken grenzen de rechter slechts tot op zekere hoogte.1 De partijautonomie moet inschikken ten behoeve van het belang van de rechtspersoon; dat belang geeft de rechter de gelegenheid de door partijen uitgezette grenzen op te rekken.
Voordat de Hoge Raad de ATR Leasing-beschikking gaf, is gediscussieerd over de vraag in hoeverre de Ondernemingskamer de grenzen van het verzoek mag overschrijden en, daarmee samenhangend, hoe ver de bevoegdheid strekt van de belanghebbende om een zelfstandig verzoek te doen.2 Hermans veronderstelde dat het de Ondernemingskamer niet vrijstaat aan de onderzoeker een naar periode of onderwerp uitvoeriger onderzoek op te dragen dan de verzoeker en de rechtspersoon wensen.3 Hij betrok het standpunt dat die belanghebbenden, die zelf niet enquêtegerechtigd zijn op grond van de artikelen 2:346 en 2:347 BW, niet de mogelijkheid behoren te krijgen de omvang van de rechtsstrijd uit te breiden. Geerts daarentegen betoogde dat de belanghebbende die zelf niet om een enquête kan vragen, wel kan verzoeken om een ruimer onderzoek dan in het oorspronkelijke enquêteverzoek werd beoogd.4 Dit omdat een zelfstandig verzoek tot uitbreiden van het onderzoek betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek, zodat aan de connexiteitseis van artikel 282 lid 4 Rv is voldaan.5 Als onderwerp van het oorspronkelijke enquêteverzoek beschouwt Geerts: “de omstandigheid dat er een kans is dat sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid van de vennootschap te twijfelen”.6
[81] Over de grenzen van de rechtsstrijd in de enquêteprocedure is geoordeeld in de zaak Cordial.7 A-G Timmerman karakteriseert in zijn conclusie de enquêteprocedure als een drietrapsraket.8 In de voorfase moeten bezwaren tegen het beleid schriftelijk kenbaar worden gemaakt aan de rechtspersoon, waarmee de feitelijke grondslag van het enquêteverzoek wordt geschetst.9 Dit biedt de rechtspersoon de waarborg dat hij niet rauwelijks in rechte wordt betrokken. In de eerste fase wordt beoordeeld of een bezwaar, opgenomen in het enquêteverzoek, gegronde reden voor twijfel aan een juist beleid oplevert. Tussen de in de voorfase opgeworpen bezwaren en de gegronde redenen moet een nauw verband bestaan, de “eerste connexiteitseis”. Als het bezwaar is onderzocht kan het, in de tweede fase, leiden tot het oordeel wanbeleid. Tussen de gegronde redenen van de eerste fase en het wanbeleidsoordeel in de tweede fase, dat steunt op het onderzoeksverslag, moet ook een nauw verband bestaan, de “tweede connexiteitseis”. De omvang van het partijdebat in de eerste en de tweede fase wordt zo bepaald door de in de voorfase kenbaar gemaakte bezwaren. Timmerman wijst er op dat het streven naar materiële waarheidsvinding in de enquêteprocedure daardoor wordt begrensd.10
De Hoge Raad volgt de conclusie. Alleen bezwaren die in de voorfase naar voren zijn gebracht, kunnen als gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid leiden tot een enquête. De bezwaren, die ten grondslag liggen aan het oordeel dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, moeten in elk geval onderzocht worden. Maar het onderzoek hoeft niet tot die bezwaren beperkt te blijven. De Ondernemingskamer heeft grote vrijheid bij het bepalen van de omvang het onderzoek en de onderzoeker kan andere bezwaren in zijn onderzoek betrekken. Er dient wel voldoende samenhang te zijn tussen die andere bezwaren en de bezwaren die hebben geleid tot het oordeel dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen.11
[82] In de ATR Leasing-beschikking heeft de Hoge Raad overwogen dat de beoordelingsvrijheid van de Ondernemingskamer meebrengt dat belanghebbenden, ook als zij niet bevoegd zijn zelfstandig een enquête te verzoeken, hun standpunt kenbaar mogen maken over alle aspecten van het enquêteverzoek en het eventuele onderzoek. De belanghebbenden kunnen zich dus uitspreken over de toewijsbaarheid van het verzoek, en over de aard en omvang van een mogelijk onderzoek, en over de periode waarover het onderzoek zich zou moeten uitstrekken.
[83] Deze uitspraak wordt vaak aangehaald om te beklemtonen dat de Ondernemingskamer ruime marges heeft bij de beoordeling van een enquêteverzoek en bij het bepalen van aard en omvang van het onderzoek. Ik merk op dat de beschikking ook zien laat dat de beslissingsruimte niet grenzeloos is. Er moet immers gelet worden op de belangen van verzoekers en die van andere bij de (onderneming van de) rechtspersoon betrokken belanghebbenden.12 Dat vereiste zorgt ook voor een zekere inkadering van de beslisruimte.