Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.2.4
2.2.4 Middeleeuwen: stedelijk burger
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977370:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pikkemaat 1988, p. 42.
Rombouts 1927, p. 115.
Wijs 1939, p. 123-137, Kloek & Tilmans 2002, p. 2 en I. de Haan, ‘Burgerschap, sociale stratificatie en politieke uitsluiting in de negentiende eeuw´, in: Kloek & Tilmans 2002, p. 233.
Fockema Andrae 1906, H. Pleij, ’Poorters en burgers in laat-middeleeuwse literaire bronnen’, in: Kloek & Tilmans 2002, p. 5, Huizinga 2017, p. 85 en Voermans & Waling, 2018, p. 30-33.
Gerbenzon & Algra 1975, p. 26, 65.
Ibid., p. 166.
De Monté ver Loren 1982, p. 165.
H. Pleij, in: Kloek & Tilmans 2002, p. 78; vgl. M. Prak, Stadsburgers. Stedelijk burgerschap voor de Franse Revolutie, Amsterdam: Prometheus 2019.
Pikkemaat 1988, p. 49 en De Monté ver Loren & Spruit 1982, p. 173-177.
R. van Stipriaan, ’De stadsburger verdient eerherstel. Burgerschap’, NRC 7 februari 2020.
Kloek & Tilmans 2002, p. 5.
Ibid., p. 4-5, 56, 78.
Heater 1990, p. 21; vgl. H. Peeters, Burgers en modernisering, Deventer: ASC 1984.
Berkenvelder 2005, p. 408.
De Monté ver Loren & Spruit 1982, p. 166; vgl. M. Boone, ’Cette frivole, dampnable et desraissonnable bour geoisie: de vele gezichten van het laatmiddeleeuwse burgerbegrip in de Zuidelijke Nederlanden’, in: Kloek & Tilmans 2002, p. 34-35 en Israel 1995, p. 25-26.
Gildebrieven zijn reglementen of keuren met sancties.
T. Eijsbouts, ’Quo vadis civis. Neorepubliek, inburgering, Europa’, in: Kloek & Tilmans 2002, p. 353.
Congregation of catholic education, Education to fraternal humanism. Building a civilization of love, 50 years after Populorum progressio, April 2017, 20; Hendriks 2019, p. 3.
Wet van 9 december 2005, Stb. 2005, nr. 678.
W. van Walstijn, ’Actief of sociaal burgerschap?’, Narthex 2006, 4, p. 22-24 en ‘Dat doet de burger goed …' Visietekst bij Reflexief 2006, 2.
Caspers 2012, p. 18, 121-123 en Borgman 2008, p. 18-23.
Aristoteles, Grieks wijsgeer (384-322 v. Chr), Sleumer 1938, p. 204, Lamberts 2019, p. 2 en B.M.I. Delfgauw e.a., De wijsgerige Thomas. Terugblik op het neothomisme, Baarn: Ambo 1984.
D. Jansens, ’Leo Strauss: filosofie, profetie, tirannie en de vraag naar het kwaad’, in: G. Buijs & H. Woldring (red.) 2001, p. 100-101.
Duynstee 1956, p. 38 en F.A. Weve O.P., Staat en algemeen welzijn bij Aristoteles en St. Thomas, Annalen van het Thijmgenootschap XLII, p. 250 e.v.
Duynstee 1956, p. 59.
Ibid., p. 22, 25, G. de Korte, ’Burgerschap en de kerk: een katholieke visie’, in: Van Bijsterveld & Steenvoorde 2013, p. 282-284 en M. van Stiphout, ‘De katholieke sociale leer over de relatie gelovige/burger, samenleving en seculiere staat’, TRSS 2018, 3.
Stads- en buitenpoorter equivalent van civis
De ontwikkelingsgeschiedenis van de notie burger in de Nederlanden vangt aan in de vroege middeleeuwen. ’Burger’ en ‘poorter’ zijn het equivalent van het Latijnse ‘civis’.1 Burgers zijn voor alles leden van de ‘civitas’, de geordende politieke stadsgemeenschap, waarvan het lidmaatschap juridisch/administratief niet eenduidig vastligt.2 Er is een politiek-juridische claim van burgers op een zekere soevereiniteit ten opzichte van de landsheer mee verbonden.3
Burgerschap in de Lage Landen vanaf 1200 is voor de inwoners van steden als Amsterdam en Nijmegen een juridische stedelijke status (poorterschap).4 Hieraan zijn de burger- of poortersrechten en -plichten verbonden.5 Poorters of stedelingen zijn binnen de stadsmuren bij de haven ( portus) wonende burgers (Bürger, citoyens) met hun rechten en plichten. Poorterschap is synoniem voor burgerrecht en voorwaarde voor stedelijke functies.6 Naast de poorter bestaat de plattelandsnotabele als land- of buitenpoorter7 die het burgerrecht verwerft van de regiostad. De poorterij is door deze uitbreiding met geprivilegieerden vergelijkbaar met het patriciaat. In de loop van de vijftiende eeuw neemt de status van de burger sterk toe om in de zestiende eeuw een economische toespitsing te krijgen als koopman (de derde stand).8
Burgerrecht
Handel en nijverheid gaan zich als personele rechtskringen organiseren in gilden en ambachten. Dit zijn verenigingen van burgers op basis van vroegchristelijke godsdienstige bewegingen.9 Een van de voorwaarden voor de toetreding tot deze gilden en verenigingen is het bezit van het burgerrecht van een stad met stadsrechten, zoals in het voorbeeld hierna: Nijmegen. Het goedkope klein-burgerschap, waarmee men niet in aanmerking komt voor een functie in het stadsbestuur, is daartoe voldoende. Een jaar en zes weken na vestiging in de stad kan in het Nijmeegse voorbeeld het groot-burgerschap worden aangevraagd, waardoor de voordelen van de Nijmeegse tolvrijheden en handels-privileges worden verkregen. Het stadsbestuur verleent het burgerrecht, int de vergoeding en de waarborgsom, en de burgereed wordt afgelegd.
Burgers en kooplieden
Vanaf de veertiende eeuw worden de begrippen burger (burch) en poorter (portus) naast en door elkaar gebruikt. De registratie vindt tegen betaling plaats bij de magistraat van de stad die de stadssleutel in de nacht onder zich heeft en als nachtburgemeester de stad regeert.10 In de loop van de vijftiende eeuw neemt het gebruik van het nog niet ‘welomschreven, transparante en conceptuele’ morele begrip ‘burger’ sterk toe.11 Vervolgens krijgt dit begrip in de zestiende eeuw de overhand, omdat het wordt geassocieerd met de praktijk van kooplieden om geld uit te lenen tegen een borgstelling (‘borghen’).12
Patriciërs
De burger wordt vaak met de koopman geïdentificeerd. Heater wijst dan ook op de herkomst van het woord citizen (civis) en de hoedanigheid van citizenship (civitas - stedelijk burgerschap) dat in elke taalgemeenschap met dezelfde woordbetekenis voorkomt.13 Etymologisch ontwikkelt ‘burcht, ommuurde plaats en vesting’ zich tot ‘stad met stedelingen’, met een poort- of burgemeester.14 De burgerij als een verzameling van burgers met burgerrechten (patriciers) die veelal openbare bestuursambten bekleden, begint zich in de late middeleeuwen in Europa meer en meer te roeren.15 Patriciërs nemen de macht in handen, stichten scholen en onderwijzen in Latijn, recht en financiën voor de uitoefening van de koopmanspraktijk. Koop- en ambachtslieden stichten corporatieve (beroeps)gilden met bindende gildebrieven.16 Burgers verwerven een zekere bescherming en vrijheid door de landsheer belasting te betalen.
Ghemeene poort
Het middeleeuwse burgerschap of poorterschap is een geprivilegieerde status van een stadsbewoner als een onderdeel van de ‘ghemeene poort’, waarmee de stedelijke gemeenschap is bedoeld. De begrippen burger en poorter worden naast en door elkaar gebruikt. Het begrip poorter kent een meervoudige betekenis: enerzijds stadsbewoner en anderzijds lid van de elite die de stad in politiek en economisch opzicht beheerst. De middeleeuwse poorter is een ‘tot in de puntjes gejuridiseerde figuur. Het recht dient primair als beslag en garantie van de sociale en culturele differentiatie’.17
Katholieke traditie van burgerschap: gemeenschapszin
In de katholieke traditie is het begrip burgerschap niet alleen gebaseerd op de gevestigde sociale leer, maar ook op ‘het opbouwen van broederlijk humanisme’.18 Volgens de katholieke onderwijstraditie is het niet steeds nodig dat de wetgever actief burgerschap bevordert,19 want ‘burgerschap kan heel goed sociaal burgerschap zijn’.20 Er bestaat vanuit de traditie van de katholieke sociale leer geen tegenstelling tussen de persoon en de gemeenschap: ‘God is tot in de kern op gemeenschap gericht: Hij is een Gemeenschap van Vader, Zoon en Geest’.21 De gezaghebbende middeleeuwse kerkleraar Thomas van Aquino (1225-1274) spreekt in Aristotelische trant de gevleugelde woorden: ‘wij hebben elkaar nodig om gelukkig te leven, en dus bestaat een goede samenleving alleen in gezamenlijkheid’.22 Voor Socrates was de vraag die hem zijn gehele leven bezighield: ‘hoe te leven’ oftewel ‘wat is het goede leven (pôs biôteon)’.23 Thomas van Aquino spreekt over het universum als een communitas en God als bonum commune.24 Het bonum commune gaat boven het bonum privatum (algemeen welzijn gaat boven individueel welzijn).25 Thomas van Aquino beschouwt de mens als een van nature sociaal wezen (persoon-in-gemeenschap) dat zijn volmaaktheid vindt in het gemeenschapsleven. Het persoonlijke en het gemeenschappelijke geluk zijn vervlochten, en het ene bloeit dankzij het ander. Dit sociale mensbeeld, zonder een dichotomie van persoon en gemeenschap, vormt de kern van het katholiek sociaal denken en goed burgerschap.26