Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/6.2.6
6.2.6 Het verstrekken van gegevens in andere sferen ontkracht het zwijgrecht
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS374083:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 5:10a lid 1 Awb kent alleen een zwijgrecht toe ingeval van verhoorsituaties. Bij het vorderen van inlichtingen en inzage enkel en alleen daarop gericht, kan sprake zijn van verhoor. Veelal vindt dit echter (primair) plaats in het kader van het toezicht. Zie o.a. F.C.M.A. Michiels, E.R. Muller, Handhaving. Bestuurlijk handhaven in Nederland, 2006, p. 51.
‘De algemene regeling [art. 5:10a Awb] van het zwijgrecht in de Awb biedt op zichzelf reeds een adequate uitwerking van het in artikel 6 van het EVRM opgenomen zwijgrecht. Het regelt dat een overtreder het recht heeft om te zwijgen zodra hij kan vermoeden dat hem een bestraffende sanctie zal worden opgelegd.’ Kamerstukken II 2013/14, 33 655, nr. C
G.P. Hamer, N.W.A. Dekens, Enige beschouwingen over het “nemo tenetur‟- beginsel in het fiscale recht, Tijdschrift voor formeel belastingrecht 2006/2, p. 13-20.
HR 16 juni 1985, BNB 1986/29.
L. Stevens, Het nemo-tenetur beginsel in strafzaken: van zwijgrecht naar containerbegrip, 2005, p. 126.
HR 11 december 1991, LJN:AW5744, BNB 1992/243; zie ook HR 12 juli 2013, ECLI: NL:HR:2013:BZ3640.
P.J. Wattel, De aangifteplicht bij inkomen uit strafbare feiten, de fiscale omkering van de bewijslast en de grondrechten op onschuldpresumptie en vrijwaring tegen zelfincriminatie, FED 1992/157.
HR 27 februari 2004, LJN:AF5556, BNB 2004/225, reikwijdte fiscale medewerkingsverplichting indien op dat moment tevens een strafvervolging of boetezaak tegen de belastingplichtige loopt; EHRM 3 mei 2001, BNB 2002/2 (JB vs. Zwitserland); EHRM 17 december 1996, BNB 1997/254 (Saunders vs. Verenigd Koninkrijk).
HR 27 februari 2004, LJN:AF5556, BNB 2004/225; zie ook Hof Amsterdam, 6 december 2007, LJN:BC0850.
Citaat van de eis van de Staat in de (kort-geding) procedure Rb. Leeuwarden 8 juli 2004,LJN:AQ0935. De rechter beslist met de woorden van gelijke strekking: ‘veroordeelt (…) aan het onderzoek van de Staat (de inspecteur) ex art. 47 en 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen, waarbij zij meer in het bijzonder de openstaande vragen, (…) schriftelijk beantwoordt en de stukken (…) afzonderlijk ter inzage verstrekt dan wel aanwijst waar deze stukken zich in haar administratie bevinden.’
HR 27 februari 2004, LJN:AF5556, BNB 2004/225, reikwijdte fiscale medewerkingsverplichting indien op dat moment tevens een strafvervolging of boetezaak tegen de belastingplichtige loopt; EHRM 3 mei 2001, BNB 2002/2 (JB vs. Zwitserland); EHRM 17 december 1996, BNB 1997/254 (Saunders vs. Verenigd Koninkrijk).
Rb. Leeuwarden 8 juli 2004, LJN:AQ0935, FutD 2004/1303; zie ook HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640.
Onderscheid is te maken in een punitatieve en een reparatoire sanctie. Bij de eerste sanctie is alleen sprake van de zogenaamde criminal charge in de zin van artikel 6 van het EVRM. Een voorbeeld van een punitatieve sanctie is het opleggen van een bestuursrechtelijke boete. Reparatoire sancties zijn puur gericht op herstel van de rechtmatige situatie en beogen dan ook geen bestraffing of leedtoevoeging (hoewel additioneel daar wel sprake van kan zijn). Ook het opleggen van een bestuursrechtelijke (of civiele) last onder dwangsom is een herstelmaatregel. Kamerstukken II 2013/14, 33 655, nr. C; ABRvS 12 maart 2008, LJN:BC6449 en CBb 15 november 2011, AWB 11/631, LJN:BU4338.
CBb 7 december 2011, LJN:BU9170, AWB 10/132.
Rb. Rotterdam 17 november 2016, ECLI:RBROT:2016:8599; HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1141; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0666.
EHRM 3 mei 2001, nr. 31827/96, BNB 2002/2 (JB vs. Zwitserland), AB 2001/343 en EHRM 5 april 2012, nr. 11663/04, AB 2012/323 (Chambaz vs. Zwitserland).
EHRM 5 april 2012, nr. 11663/04, AB 2012/323 (Chambaz vs. Zwitserland); EHRM 21 april 2009, nr. 19235/03, NJ 2009/577, (Marttinen vs. Finland). Zie conclusie P-G Wattel 1 maart 2013 ECLI:NL:PHR:2013:BZ3640; zie ook R. Stijnen, ‘Saunders en J.B. Revisited. Wat doen met onder druk verkregen wilsafhankelijk bewijsmateriaal?’, TvS&C 2014, p. 144-147.
HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF5556; zie ook HR 12 juli 2013,ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, r.o. 3.9 onder c ‘Wilsafhankelijk materiaal dat door de belastingplichtige ingevolge het bevel van de voorzieningenrechter is verstrekt, mag niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van de belastingplichtige. Zou dit laatste toch gebeuren, dan dient de belastingrechter of de strafrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.’
Vgl. HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349; zie ook HR 12 juli 2013, LJN:BZ3640, BNB 2014/101 en HR 8 augustus 2014, ECLI:NL: HR:2014:2144, BNB 2014/206.
HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:2014:2144, r.o. 2.5.
HR 27 februari 2004, LJN:AF5556. In hetzelfde arrest oordeelt de Hoge Raad overigens ook dat met het voldoen aan de inlichtingenplicht geen afstand wordt gedaan van een beroep op art. 6 EVRM.
CBb 10 januari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:3.
CBb 10 januari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:3, r.o. 6.4
HR 12 juli 2013, LJN:BZ3640.
HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144 2.6. De beschikking waarbij de inspecteur op de voet van artikel 52a lid 1 AWR vaststelt dat de betrokkene niet of niet volledig heeft voldaan aan een of meer van de daar genoemde informatieverplichtingen, vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van art. 25 lid 3 AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Daarin onderscheidt de informatiebeschikking zich van dwangsommen die aan de orde waren in het arrest van 12 juli 2013. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Dat neemt echter niet weg dat een dergelijke restrictie, gelet op het hiervoor in 2.5 overwogene, uit het EVRM voortvloeit. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor doeleinden van fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.’ Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden, 14 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2107.
Hof Amsterdam 10 augustus 2001, V-N 2001/56.6.
Hof Amsterdam 10 augustus 2001, V-N 2001/56.6.
Rb. Amsterdam, 2 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3950, FutD 2017/ 1858 en 1859.
De (ruime) medewerkingsplicht tegenover de inspecteur en toezichthouder (art. 47 AWR respectievelijk 5:20 Awb) kan op gespannen voet staan met allerlei persoonlijke en zakelijke belangen. Die plicht kan zelfs conflicteren met een – al dan niet wettelijke – geheimhoudingsverplichting.
Tegenover de inspecteur kan niemand met vrucht een beroep doen op enige verplichting tot geheimhouding in het kader van zijn eigen belastingheffing, zelfs niet indien dat wettelijk is bepaald (art. 51 AWR). Alleen voorzover het de medewerking betreft voor de belastingheffing bij derden kan in wettelijk bepaalde situaties – tegenover de inspecteur en/of toezichthouder – een beroep worden gedaan op het zogenaamde verschoningsrecht (zie par. 5.7). Een zwijgplicht die maatschappelijk is geaccepteerd.
Een bescherming van andere orde is het onthouden van de medewerking in het kader van de eigen belastingheffing, omdat medewerking op gespannen voet kan staan met iemands persoonlijke positie.
Een wettelijk zwijgrecht voor de eigen positie is niet in de AWR (noch Awb) opgenomen.1 Dit kan leiden tot een conflictsituaties met betrekking tot de fundamentele bescherming van de zelf-incriminatie.2 Het betreft onder andere het nemo tenetur-beginsel.3 Dit kan conflicteren met de medewerkingsverplichting ingeval een toezichtshandeling overgaat naar de sfeer van bestraffing: het (kunnen opleggen) een bestuursrechtelijke of strafrechtelijke sanctie.
Bij het uitoefenen van toezichtbevoegdheden is geen sprake van een bescherming vanuit bijvoorbeeld het EVRM terwijl dat voor een onderzoek gericht op ‘straffen’ wel zo is. Zo strijdt de fiscale inlichtingenplicht van artikel 47 AWR met het strafrechtelijke zwijgrecht (art. 29 Sv). Ook geldt het zwijgrecht in de sfeer van het opleggen van een bestuurlijke boete (art. 5:10a Awb en par. 14 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, voorheen art. 67j AWR).4 Desondanks wordt een fiscaal boeteonderzoek uitgevoerd op grond van de ‘toezichtsbevoegdheden’.5 Voor de toepassing van deze samenloop in sferen heeft de Hoge Raad kaders gegeven.6 Het betreft twee afzonderlijk en gescheiden rechtsgebieden.7 Hierop zijn nog enkele uitspraken van de Hoge Raad gevolgd voor nadere markering van het zwijgrecht in relatie tot de medewerkingsverplichting.8 De verplichting tot het verstrekken van gegevens geldt, naar het oordeel van de Hoge Raad, onverkort in de uitvoeringssfeer en het is aan de rechter om te beoordelen of de gegevens ook in de strafsfeer bruikbaar zijn.9 Een en ander impliceert dat een belastingplichtige aan de inspecteur ‘volledige en onvoorwaardelijke medewerking moet verlenen en dat vervolgens in de strafzaak of de zaak waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd, moet worden bekeken in hoeverre van die aldus verkregen informatie gebruik mag worden gemaakt’.10 Bij een gemengde vorm van medewerking voor zowel de uitvoeringssfeer als de sfeer van de bestuurlijke boete, is het zwijgrecht eveneens niet van toepassing (art. 5:10a Awb en par. 14 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, voorheen art. 67j AWR). In de fiscale sfeer, heeft de inspecteur de informatie nodig voor het uitvoeren van het proces van belastingheffing. Het verkrijgen van wilsafhankelijk materiaal – met sanctionele dreiging – staat op gespannen voet met het zwijgrecht.11
Een mogelijke bestuursrechtelijke sanctionering of strafrechtelijke vervolging vormt – volgens de huidige jurisprudentie – in het fiscale domein geen wettige reden voor een weigering van de fiscale medewerking met een beroep op het zwijgrecht.12
Een soortgelijke scheiding in sferen is in beginsel onverkort van toepassing op het nalevingstoezicht.13 Ook daar geldt de medewerkingsverplichting onverkort ingeval sprake is van een toezichtshandeling.14 De belangen waarop wordt toegezien rechtvaardigen dat toezicht en de wijze waarop dat wordt uitgeoefend alsmede, bij inbreuk op de wet- en regelgeving, het gebruik van met druk verkregen gegevens en inlichtingen.15
Uit het arrest Chambaz kan worden afgeleid dat een medewerkingsplicht niet bestaat ingeval een betreffende persoon niet kan uitsluiten dat zijn medewerking kan leiden tot strafvervolging voor dezelfde feiten.16 Bij het ontbreken van adequate waarborgen kan dat een belemmering vormen om medewerking af te dwingen.17 De inspecteur hoeft daarentegen geen garantie te geven dat die gegevens niet worden gebruikt in een andere sfeer.18 In beginsel ligt de waarborg op het onrechtmatige gebruik van de (wilsafhankelijke) gegevens voor sanctionele doeleinden bij de rechter.19 Hier lijkt zich een wezenlijk verschil voor te doen ten opzichte van het nalevingstoezicht. In de fiscale sfeer oordeelt de Hoge Raad ‘Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal [MS: wilsafhankelijk materiaal] mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een “criminal charge” tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt (vgl. EHRM 3 mei 2001, no. 31827/96, J.B. tegen Zwitserland, BNB 2002/26), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien.’20 De Belastingdienst is niet verplicht van tevoren die waarborg te geven.21 Voor de toezichthouder oordeelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven anders.22 De toezichthouder is namelijk zelf verantwoordelijk dat wilsafhankelijk materiaal niet gebruikt wordt voor sanctionele doeleinden. Het college stelt, in navolging op de Hoge Raad, vast dat gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, maar verbindt daar een andere waarborg aan: ‘Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient naar het oordeel van het College de nationale autoriteit die over de bevoegdheid beschikt om de verkrijging van wilsafhankelijk materiaal af te dwingen, in de vereiste waarborgen te voorzien.’23 Die verantwoordelijkheid ligt dus bij de toezichthouder zelf.
Als waarborg kan de Belastingdienst – ingeval van het civielrechtelijk afdwingen van het materiaal onder last van een dwangsom – bij (wilsafhankelijk) materiaal wel een restrictief gebruik toezeggen. Hij kan – en bij tussentkomst van civiele rechter moet – een zogenaamde gebruikersgarantie verstrekken voor uitsluitend het gebruik bij de belastingheffing.24 De Hoge Raad oordeelt daarentegen dat het afgeven van een dergelijke restrictie niet nodig is bij het verkrijgen van gegevens en inlichtingen met toepassing van de informatiebeschikking.25 Het stellen van de voorwaarde voor medewerking dat de inspecteur geen gegevens verstrekt aan Justitie, gaat volgens de president van Hof Amsterdam te ver.26 Het hof oordeelt het daarentegen niet behoorlijk wanneer de Belastingdienst dergelijke informatie aan een ander geeft, zonder kennisneming aan de gegevensverstrekker. Informatie die de belastingplichtige qualitate qua verstrekt (en derhalve ‘ten dienste van de belastingheffing’) kan dus niet vrij worden gegeven aan andere toezichthouders en/of opsporingsinstanties; in dat geval moet eerst de belastingplichtige worden ingelicht.27
In het oordeel van rechtbank Amsterdam lijkt tevens naar voren te komen dat deze waarborgen breed dienen te gelden. Ook voor het verstrekken van gegevens aan andere toezichthouders en/of opsporingsinstanties waarbij het straffen door een ander bestuursorgaan plaatsvindt.28
Dit overziende moet de inspecteur bij het delen van gegevens de waarborgen in acht nemen ten aanzien van wilsafhankelijke gegevens. Bij het delen van gegevens waarbij het zwijgrecht mogelijk in geding kan zijn, lijkt het in kennisstellen van de betreffende personen onvermijdelijk. Alleen hij kan immers bepalen of het naar zijn wil is dat het materiaal ook – ongeacht het al dan niet gebruik ervan – aan de andere toezichthouder wordt verstrekt. Het verstrekken van dat materiaal gaat immers aan het gebruik vooraf.