Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.6
3.2.6 Doeleinden en soorten stichtingen
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS390910:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van der Grinten 1943.
Polak 1956, p. 10.
Kamerstukken I 1935-1936, p. 237.
Overheidsstichtingen wil zeggen: (1) stichtingen die uitsluitend of mede zijn of worden opgericht door de Staat, een provincie, een gemeente of een lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen; en (2) stichtingen die ingevolge een wettelijk voorschrift met een taak zijn belast, zoals de stichtingen die een taak hebben bij de kwaliteitscontrole op landbouwproducten bij uitvoer (Kamerstukken II 1953-1954, 3463, nr. 3, p. 6-7, onder punt 14-18).
Het ontwerp gold niet voor (1) kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen; (2) instellingen van weldadigheid in de zin van de Armenwet; en (3) pensioenfondsen en spaarfondsen in de zin van de Pensioen- en spaarfondsenwet (Kamerstukken II 1953-1954, 3463, nr. 3, p. 7 onder punten 19-21).
Polak 1956, p. 11. Enigszins flexibeler lijkt te zijn Hof Amsterdam 20 maart 1953, NJ 1953/ 317 (Stichting B.W.T.) waar wordt overwogen dat aan de ene kant niet te streng vastgehouden moet worden aan de eisen van de “klassieke” opvatting van de stichting, te weten een uitsluitend ideëel doel en evenredigheid tussen vermogen en doel, maar dat aan de andere kant gewaakt moet worden tegen het misbruiken van de stichtingsvorm ter bereiking van doeleinden, die ook met andere de in de wet geregelde organisatievormen bereikt kunnen worden.
Uiteenlopende doeleinden
Oorspronkelijk richtten de (voorlopers van) stichtingen zich op vrome doeleinden (piae causae), tegenwoordig ook wel – in iets ruimere zin – charitatieve doelen genoemd. Daarnaast ontwikkelde de stichting zich ook op andere terreinen.1 Zo werden er stichtingen voor wetenschappelijke en culturele doelen opgericht. Naast stichtingen met maatschappelijk doel bestonden talrijke familiestichtingen. Veel oude stichtingen werden bij testament opgericht en waren in feite, in de woorden van Polak, een niet aan de duur van een mensenleven gebonden vorm van vermogensbeheer.2 Volgens Polak werden ten tijde van de WS 1956 nog steeds veel van dergelijke stichtingen opgericht, maar kwamen daarnaast steeds meer stichtingen voor met andere doeleinden, opgericht onder levenden, waarbij vermogen en vermogensbeheer geen of nagenoeg geen rol speelden.
Ook de overheid ging de stichting steeds vaker gebruiken, bijvoorbeeld het Landbouw-Crisisfonds werd in 1936 in een stichting ondergebracht.3 De wetgever wilde de bepalingen uit de WS 1956 echter niet van toepassing verklaren op dergelijke overheidsstichtingen.4 In de MvT is te lezen dat tegen het gebruik van de stichtingsvorm door de overheid bezwaren zijn aan te voeren, die in afzonderlijke wetgeving geadresseerd moeten worden.5 Voor kerkgenootschappen en pensioenfondsen die de vorm van een stichting hadden gold een eigen regeling.6
Commerciële doelen
Hoewel aanvankelijk het ontbreken van een wettelijke regeling volgens sommigen ruimte liet voor het gebruik van de stichting op verschillende terreinen, leek de rechtspraak beperkingen te stellen aan de doelstelling en bij de stichting, evenals bij de vereniging, slechts een ideëel doel toe te staan.7 Uitgangspunt van de wetgever was dat voor “doeleinden die op winst zijn gericht” de NV en de coöperatieve vereniging meer geëigende vormen waren. Het toenemend gebruik van stichtingen voor een commercieel doel moest “als een misbruik worden gewraakt”, aldus de MvT bij de WS 1956.8 Later nuanceerde de Minister dit en stelde vast dat een stichting een niet op winst gericht doel moet hebben, maar dat toelaatbaar is dat een stichting commerciële handelingen verricht en ook dat zij daarmee winst maakt, die overeenkomstig de bepalingen van de statuten aan de rechthebbenden ten goede komen. Daarbij werd opgemerkt dat het behalen van winst niet het hoofddoel mocht zijn maar slechts een middel om het doel te verwezenlijken.