Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.5.3.4:V.5.3.4 ‘Bange bestuurders’
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.5.3.4
V.5.3.4 ‘Bange bestuurders’
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460392:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het bekendste en waarschijnlijk meest intuïtieve argument dat wordt gebruikt om de aanvullende bescherming voor bestuurders en andere leidinggevenden te rechtvaardigen, is het zogenoemde ‘bange bestuurders’-argument. Dit argument heeft in het privaatrecht een hoofdrol gespeeld bij de invoering van de ernstig verwijt-doctrine en het lijkt in toenemende mate ook gehoor te vinden in de andere rechtsgebieden.
Dit argument komt er kort gezegd op neer dat (te) veel aansprakelijkheid ertoe leidt dat bonafide bestuurders zich onwenselijk risicomijdend zullen gedragen. In de woorden van Kroeze: “Bestuurders kunnen terugdeinzen voor risicovolle, maar potentieel zeer winstgevende beslissingen en kiezen voor de veiliger, maar minder winstgevende weg.”1 Al met al zou (te) vergaande aansprakelijkheid onwenselijke bijwerkingen hebben op het functioneren van bestuurders. Met de toepassing van een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime wordt beoogd bestuurders aanvullend te beschermen tegen persoonlijke aansprakelijkheid en zo onwenselijk defensief gedrag te voorkomen.
Hierboven heb ik betoogd dat bonafide bestuurders of andere leidinggevenden in principe niet bang hoeven te zijn voor de ‘gewone regels’ voor milieuaansprakelijkheid. Reeds daarom geeft dit argument naar mijn mening geen aanleiding voor aanvullende bescherming. Maar zelfs als dit betoog niet wordt gevolgd, dan kan het bange bestuurdersargument mijns inziens nog steeds niet een hogere aansprakelijkheidsdrempel rechtvaardigen. Zeker niet in milieukwesties. Daarvoor zie ik verschillende redenen.
Allereerst is het zeer de vraag of de aanvullende bescherming tegen persoonlijke aansprakelijkheid ook invloed zal hebben op de risicobereidheid van bestuurders. Ik heb geen bewijs kunnen vinden voor de aanname dat aansprakelijkheidsregels invloed hebben op de (gepercipieerde) angst of het handelen van bestuurders.2 Integendeel: uit diverse empirische studies blijkt juist dat bestuurders vaak helemaal geen realistisch beeld hebben van de aansprakelijkheidsregels en -risico’s. Daarom betwijfel ik of de aanvullende bescherming van bestuurders tegen persoonlijke aansprakelijkheid ook daadwerkelijk de beoogde gedragsveranderende effecten zal hebben.
Maar zelfs áls aansprakelijkheidsregels leiden tot defensiever gedrag, dan is dit niet altijd onwenselijk; de (on)wenselijkheid van risicomijdend handelen hangt namelijk af van de context. Als het gaat om het aannemen van nieuwe opdrachten of het doen van investeringen is best te verdedigen dat bestuurders in een aansprakelijkheidsluwe omgeving mogen opereren zodat zij – om met Kroeze te spreken – “niet terugdeinzen voor risicovolle, maar potentieel zeer winstgevende beslissingen”. Maar als het gaat om het vaststellen van milieubeleid en het toezien op de naleving van milieuvoorschriften van de onderneming, lijkt het me eerlijk gezegd niet problematisch als bestuurders “kiezen voor de veiliger, maar minder winstgevende weg”. Het algemeen belang is immers niet gebaat bij bestuurders die (al dan niet aangemoedigd door een aanvullende bescherming tegen persoonlijke aansprakelijkheid) milieurisico’s opzoeken.
Al met al geeft ook het bange bestuurders-argument mijns inziens geen aanleiding om voor de milieuaansprakelijkheid van bestuurders of andere leidinggevenden af te wijken van de ‘normale aansprakelijkheidsregels’.