Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/2.4.1
2.4.1 Waarde in het economische verkeer
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS346774:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk o.a. HR 5 februari 1969, nr. 16 047, BNB 1969/63; HR 31 mei 1995, nr. 29 224, BNB 1995/ 228 met noot van G.J. van Leijenhorst.
In de schrijf- en spreektaal, vooral in de fiscale literatuur, spreekt men verwarrenderwijs ook wel over 'verkeerswaarde', zijnde de in het economische verkeer bereikte prijs. Vergelijk in dit verband bijvoorbeeld J.W. Ilsink, Het begrip verkeerswaarde in de onroerend goedbelastingen, Weekblad 1985/5665, blz. 2-8.
Onder de Wet VB 1892.
Zo ook A.J. van Soest, Belastingen (inkomstenbelasting, vermogensbelasting, vennootschapsbelasting), 18e druk door J.C.K.W. Bartel, P den Boer, F.WG.M. van Brunschot, J. van Soest, Gouda Quint BV, Arnhem, 1995, blz. 399.
HR 11 december 1991, nr. 27 699, BNB 1992/ 70, V-N 1992, blz. 397-399.
Hof 's-Gravenhage 19 mei 1992, nr. 91/4077, V-N 1992 blz. 2797-2799.
PAOB-cursus Nieuwe Jurisprudentie, 21 januari 1993.
Dit is op zichzelf al weer een contradictio in terminis. Waarde is immers nooit volledig objectief, alleen het proces van waarderen kan zoveel mogelijk geobjectiveerd worden.
HR 24 januari 1990, nr. 25 884, BNB 1990183, V-N 1990, blz. 641 e.v.
Art. 8, eerste lid, onderdeel b Wet IB 1964.
P.H.F. Remie, Wat is nu de waarde in het economische verkeer?, Weekblad 1990/5927, blz. 1254.
Ta.p., blz. 1256.
J.M.A. Waaijer, Enige rechtsvergelijkende opmerkingen over het begrip waarde, WPNR nr. 5494, 27 oktober 1979, blz. 582-586.
Laat ons beginnen met de klassieke definitie van het begrip 'waarde in het economische verkeer'1: 'de prijs die bij aanbieding van een zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed.'
Het begrip waarde in het economische verkeer2is onder meer geformuleerd in art. 9, lid 1 Wet VB 1964. De wetgever heeft het oude waardebegrip 'geldswaarde'3 ingeruild om hiermee zoveel mogelijk een objectieve waarderingsmaatstaf te bewerkstelligen4. Met de maatstaf 'waarde in het economische verkeer' heeft de wetgever voor de vermogensbelasting een einde gemaakt aan de tegenstelling tussen de geldswaarde en de verkoopwaarde die de problematiek onder de vroegere wet beheerste. Daarbij werd de geldswaarde veelal uitgelegd als de subjectieve gebruikswaarde en de verkoopwaarde als de — lagere — objectieve ruilwaarde. Het gaat de wetgever daarbij om de meerdere draagkracht, dat wil zeggen de voorsprong die de vermogensbezitter (maatschappelijk gezien) heeft boven diegene die uitsluitend over een potentieel inkomen uit arbeid beschikt.
De waarde in het economische verkeer is niet gelijk te stellen met de verkoopwaarde. Uit de wetsgeschiedenis blijkt duidelijk dat hieraan de bedoeling ten grondslag ligt om voor zaken die niet mogen of kunnen worden vervreemd een maatstaf te vinden. Alleen daar waar er voor een goed een markt is, mag als uitzondering de verkoopwaarde als waarde in het economische verkeer worden aangehouden.
Een voorbeeld moge de relatie duidelijk maken tussen de meest biedende gegadigde en de 'waarde in het economische verkeer'. In het arrest van de Hoge Raad van 11 december 19915 gaat het om de vraag of er zich tussen derden een materiële bevoordeling heeft voorgedaan bij een onroerende zaak-transactie. De inspecteur heeft ter zake een aanslag schenkingsrecht opgelegd.
Casus
In januari 1988 wordt bij inschrijving een onroerende zaak te koop aangeboden. Op 23 januari 1988 stelt de verkoper belanghebbenden ervan in kennis dat zij het hoogste bod zijnde f 560 999 kosten koper hebben uitgebracht. Het op één na hoogste bod bij de inschrijving bedroeg f 336 000 waarbij het grasland niet in het bod was betrokken. Aan belanghebbenden (de hoogste bieders) is de onroerende zaak op 23 januari 1988 gegund. De taxatiewaarde van de onroerende zaak voor de inschrijving bedroeg f 350 000. In de op 26 januari 1988 tussen verkoper en belanghebbenden getekende koopakte is een koopsom overeengekomen van f 540 000 vrij op naam terwijl in de koopsom tevens diverse roerende zaken zijn begrepen.
Conclusie: de uiteindelijk gerealiseerde verkoopprijs is beduidend lager dan belanghebbenden hadden geboden. Volgens de inspecteur is aan belanghebbenden een vermogensvermeerdering toegekomen ten bedrage van in totaal f 54 749, zijnde het bedrag waarmee de koopsom is verlaagd, vermeerderd met de met de overdracht samenhangende kosten. De inspecteur heeft ter zake een aanslag in het recht van schenking opgelegd.
De Hoge Raad kiest voor een formele benadering. Allereerst stelt hij dat het bij inschrijving ten verkoop aanbieden van een bepaalde zaak uitgelegd moet worden als een uitnodiging om in onderhandeling te treden. Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat — zolang de verkopers het aanbod van de kopers niet hebben aanvaard — het hen vrij staat het aanbod tegen een lagere prijs te accepteren indien hen de aangeboden prijs te hoog mocht blijken.
Het komt uiteindelijk tot een verwijzingsuitspraak6 waarbij het hof beslist dat er in casu géén sprake is van een schenking. Verkopers hebben het hoogste bod in beraad genomen, daarna een tegenbod gedaan hetgeen door de belanghebbenden aanvaard werd en waardoor de overeenkomst tot stand is gekomen.
De redactie van het Vakstudie Nieuws7 is het niet geheel eens met deze verwijzingsuitspraak en plaatst er kanttekeningen bij. Zo gaat het verwijzingshof ervan uit dat kopers bereid waren hun bod gestand te doen. De verkopers bezaten op dat moment een vermogensrecht om door aanvaarding de overeenkomst te laten ontstaan. Met andere woorden: de verkopers behoefden slechts ja te zeggen. Volgens de redactie laat het hof dit aspect ten onrechte geheel onbesproken.
Ook wijst de redactie er in dezelfde aantekening op dat in het geval de andere verkoper zich niet verplicht zou hebben gevoeld om de koopprijs te verlagen, er aan alle vereisten voor de aanwezigheid van een materiële bevoordeling (met name het beginsel van de liberaliteit) zou zijn voldaan. Zij schrijft: 'Waarschijnlijk zouden de verkopers dit genereuze standpunt niet hebben ingenomen, als de kopers niet behoorden tot de min of meer gesloten dorpsgemeenschap. De (strenge) conclusie zou dan ook kunnen zijn dat bewust genoegen nemen met een lagere koopsom met het doel om bepaalde kopers te behoeden voor nadeel dat ontstaat als gevolg van overhaast ondoordacht handelen, kan worden aangemerkt als een met schenkingsrecht te belasten rechtshandeling.'
Waar het dus om gaat is ten eerste de vraag in hoeverre de waarde in het economische verkeer gerelateerd is aan de meest biedende gegadigde en ten tweede of er steeds moet worden uitgegaan van de maximaal haalbare prijs. Op basis van jurisprudentie-onderzoek kan worden geconcludeerd dat dit waardebegrip niet impliceert, dat het hoogste bod op een zaak die ter verkoop wordt aangeboden, maatgevend is. Een betere omschrijving is dan ook niet de maximaal haalbare prijs maar de onder de gegeven omstandigheden optimale waarde.
Dat er ook genuanceerdere denkbeelden dienaangaande kunnen bestaan, zien we bij Van Dijck8. In zijn visie dient als 'objectieve waarde' 9 niet de maximaal haalbare prijs op de verkoopmarkt te worden genomen, maar moet uitgangspunt zijn de feitelijk tot stand gekomen overeenkomst waarbinnen de 'objectieve' waarde de maximaal haalbare prijs is. In casu is dan ook naar zijn mening geen sprake van een materiële bevoordeling. Dit illustreert hij door het voorbeeld te gebruiken van zijn buurman die zijn huis wilde verkopen en daarvoor een excessief hoog bedrag kon krijgen, maar dan wel van een 'onmaatschappelijk' persoon. Van Dijck's buurman wilde het hem echter niet aandoen om een dergelijk persoon als nieuwe buurman te krijgen en verkocht derhalve zijn huis aan een derde voor een veel lager bedrag. Volgens Van Dijck kan in een dergelijke situatie toch moeilijk worden aangenomen dat zijn buurman een schenking heeft gedaan aan de koper van diens huis. Ofwel de begrippen `waarde in het economische verkeer', 'meestbiedende gegadigde' en 'maximaal haalbare prijs' zijn niet synoniem.
Alhoewel het voorbeeld van de buurman reeds de essentie weergeeft van het begrip 'waarde in het economische verkeer' ter illustratie nog een praktijkvoorbeeld.
Casus
Belastingplichtige, 67 jaar oud, pacht een boerderij en ca. 16 ha weiland van een ridderorde. Aangezien er in de familie geen opvolgers zijn, besluit hij de exploitatie van het landbouwbedrijf te staken en verzoekt aan de verpachter om beëindiging van de pachtovereenkomst. Deze wil de landbouwgronden vervreemden inclusief melkquotum en vraagt belastingplichtige uit te zien naar een geschikte koper. Uiteindelijk wordt het overgrote deel van het weiland (ca. 14 ha) verkocht aan een drietal buren van belastingplichtige voor f 20 000 per ha en f 3 per kg voor het melkquotum. Belastingplichtige koopt de boerderij alsmede ca. 2 ha weiland voor f 20 000 per ha. Ten tijde van de transactie (maart 1989) is echter de 'objectieve' waarde van landbouwgrond in die omgeving f 26 000 per ha en bedraagt de marktprijs van een melkquotum (volgens gegevens van het Landbouwkundig Economisch Instituut (LEI)) f 3,65 per kg melk. Op het eerste gezicht lijkt het alsof er sprake is van een pachtersvoordeel. Toch is dit niet het geval. Belastingplichtige (pachter) heeft immers voor het weiland eenzelfde prijs per ha betaald als zijn buurman (niet-pachter). Ook al is hier sprake van derdenverhoudingen, toch wijkt de gecontracteerde prijs in aanmerkelijke mate af van de objectief vastgestelde marktprijs. Kennelijk was dit onder de gegeven omstandigheden de maximaal haalbare prijs, gerelateerd aan de plaatselijke dorpsverhoudingen. Zo voelde de ridderorde zich wellicht moreel verplicht om ervoor te zorgen dat de landbouwgronden en -opstallen, eigendom zouden worden van personen uit de dorpsgemeenschap. In ruil daarvoor was de ridderorde genegen om een lagere opbrengst in aanmerking te nemen.
Een aparte problematiek — voor wat betreft de inkomstenbelasting — is de waarde in het economische verkeer in relatie tot toepassing van de landbouwvrijstelling. Het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 199010 gaat op deze materie in.
Casus
Een agrariër koopt in 1980 grond van zijn buurman voor f 50 000 per ha terwijl de gemiddelde prijs in de desbetreffende regio op dat moment f 40 000 bedraagt. Belanghebbende heeft zich bij de totstandkoming van de prijs laten leiden door het motto `buurmans grond is slechts één keer te koop.' In 1983 verkoopt belanghebbende echter de grond weer voor afgerond f 21 500 per ha. De vraag doet zich nu voor of het volledige transactieverlies onder de landbouwvrijstelling valt. Belanghebbende stelt dat dit tot een bedrag van f 10 000 per ha niet het geval is aangezien hij te duur gekocht heeft en dit verlies niet kan worden toegeschreven aan een waardeverandering van landbouwgrond. Alsdan is de landbouwvrijstelling11 niet van toepassing en is het desbetreffende verlies aftrekbaar. Hof 's-Gravenhage verenigt zich met de opvatting van belanghebbende.
Remie12 daarentegen is van mening: 'Een gerealiseerd voor- of nadeel op de grond (verschil tussen aan- en verkoopprijs) valt alleen dan onder de landbouwvrijstelling als zich gelijktijdig een even groot verschil tussen de waarde ten tijde van de aankoop ten opzichte van de waarde ten tijde van de verkoop heeft gemanifesteerd.'
De staatssecretaris stelt in zijn cassatieberoepschrift dat het niet mogelijk is om een prijs, tot stand gekomen na onderhandelingen tussen van elkaar onafhankelijke partijen, te onderscheiden van de waarde. De waarde van de landbouwgrond is in zijn visie gelijk aan de prijs die belanghebbende heeft geboden om de verkoper ertoe te brengen deze af te staan.
Ook de Hoge Raad verwerpt belanghebbendes standpunt en stelt in rechtsoverweging 4.2: 'In het algemeen wijkt (...) een tussen van elkaar onafhankelijke partijen overeengekomen koopprijs niet af van de waarde in het economisch verkeer van het verkochte goed. De door het Hof vastgestelde omstandigheden rechtvaardigen niet te dezen een uitzondering op deze regel aan te nemen, omdat de aanwezigheid van een buurman als bijzondere gegadigde behoort tot de factoren die de waarde in het economische verkeer van de grond bepalen.'
Het lijdt geen twijfel, de Hoge Raad laat nadrukkelijk ruimte open voor uitzonderingen waarbij de transactieprijs afwijkt van de waarde in het economische verkeer. Kennelijk moet daarbij gedacht worden aan factoren die de prijs hebben beïnvloed doch zich niet in het economische verkeer afspelen bijvoorbeeld een totstandgekomen prijs die elementen van schenking bevat.
In de ogen van Remie is met dit arrest het probleem van de vaststelling van de waarde in het economische verkeer van een zaak, gereduceerd tot een vraagstuk van bewijslastverdeling. Als een procespartij (hetzij belanghebbende, hetzij de inspecteur) moet aantonen dat een feitelijk tot stand gekomen prijs afwijkt van de waarde in het economische verkeer, dan moet hij daarbij van een fictie uitgaan, dat wil zeggen een waarde bewijzen die niet feitelijk gerealiseerd is.
Remie13 heeft gelijk als hij stelt dat het begrip waarde in het economische verkeer dringend aan herijking toe: 'De meestbiedende gegadigde zou vervangen moeten worden door de normaalbiedende gegadigde. De prijs zou dan zijn de individueel tot stand gekomen transactiesom, die alleen dan overeenkomt met de waarde indien ook anderen dan die ene koper daarvoor eenzelfde bedrag over hebben.'
Als we het hebben over 'waarde in het economische verkeer' dan kan het begrip 'vrije markt' niet ongenoemd blijven. Beide begrippen zijn overigens voor velerlei interpretatie vatbaar. In dit verband kan worden gewezen op Waaijer14 die vanuit het gezichtspunt van het notarieel recht aangeeft dat een 'vrije markt' alleen theoretisch bestaat, omdat de 'waarde in het economische verkeer' slechts een imaginaire grootheid is. Verder merkt hij op: 'Men kan de waarde van een object in het economische verkeer nooit exact vaststellen, omdat vaste waarderingsmethoden niet bestaan. In feite is de "waarde in het economische verkeer" een zuivere fictie.'
Hiermee zijn we weer terug bij het uitgangspunt van dit hoofdstuk namelijk de vraag in hoeverre er op zichzelf gesproken kan worden van waarde in objectieve zin. In theorie kan het begrip 'waarde in het economische verkeer' wel worden gehanteerd, in de praktijk blijkt een dergelijk eenduidig uit te leggen waardebegrip niet te bestaan. Moet de conclusie niet toch zijn dat een waardebegrip weliswaar objectief gedefinieerd kan worden, maar elke feitelijke waardevaststelling per definitie een subjectieve aangelegenheid is? Er kan wel worden gesproken van een objectief waardebegrip maar in de feitelijke vaststelling daarvan is het dat niet meer. In zoverre kan dan ook niet van een objectieve waarde worden gesproken.