Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/3.7.4
3.7.4 Administratieve eenvoud
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS401152:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Kamer II, vergaderjaar 1951-1952, 2602, nr. 3 (MvT), blz. 25 en Kamer II, vergaderjaar 1967-1968, 9324, nr. 6 (MvA), blz. 62.
Toelichting op het voorstel tot wijziging van de regels voor de plaats van levering van diensten, COM (2003), 822 def., blz. 15.
Kamer II, vergaderjaar 2008-2009, 31 907, nr. 3 (MvT), blz. 2.
Hoewel heffing in het land van verbruik altijd de wens is geweest van de (communautaire) wetgever erkent ook deze van meet af aan de gedachte dat de belastingwetgeving praktisch uitvoerbaar moet zijn. De administratieve eenvoud staat echter nooit op zich. Men tracht tot heffing in het land van verbruik te komen, terwijl de regeling ook praktisch uitvoerbaar moet zijn.1 Kunnen heffing in het land van verbruik en administratieve eenvoud eerst nog hand in hand gaan en leiden tot één hanteerbaar aanknopingspunt (dit was het geval onder de Zesde Richtlijn, zie paragraaf 3.5.2.1), thans is dit niet meer het geval. Daarbij wordt, zo is gebleken in paragraaf 3.5.2.2, heffing in het land van verbruik voorop gesteld en staat de administratieve eenvoud wat op het tweede plan. De administratieve eenvoud wordt echter niet vergeten. Zo is heffing in het land van verbruik, dat wordt bereikt door aan te sluiten bij de vestigingsplaats van de afnemer, bij ondernemers mogelijk, omdat heffing kan worden verlegd naar de afnemer. In geval van diensten aan niet-belastingplichtigen is dit zonder bijvoorbeeld een één-loket-systeem niet mogelijk. De Europese Commissie stelt dan ook:
“Ofschoon de toepassing van de algemene regel dat belasting wordt geheven op de plaats waar de klant is gevestigd of zijn woonplaats heeft, beter zou aansluiten bij het beginsel van belastingheffing op de plaats van verbruik, zou dit op dit ogenblijk ook tot grote praktische problemen leiden. Van eindverbruikers kan redelijkerwijs niet worden verwacht dat zij zelf de BTW aangeven (d.w.z. de verleggingsregeling toepassen) over diensten die zij in een andere lidstaat hebben betrokken om deze te verbruiken waar zij gevestigd of woonachtig zijn. Het alternatief zou erin bestaan dat dienstverrichters verplicht worden zich in iedere lidstaat van verbruik te registreren met het oog op de inning van de belasting en de overmaking ervan aan de lidstaat waar de niet-belastingplichtige gevestigd of woonachtig is. Dit zou evenwel heel wat bijkomende administratieve lasten voor ondernemers creëren, wat niet wenselijk is.2”
Daar waar de administratieve eenvoud dus niet in voldoende mate is gewaarborgd, wordt afstand gedaan van het criterium dat heffing in het land van verbruik het beste benadert en wordt gezocht naar een ander criterium dat eveneens recht doet aan de gedachte dat heffing moet plaatsvinden in het land van verbruik, maar anderzijds ook de administratieve eenvoud waarborgt.
De Nederlandse wetgever formuleert dit als volgt:
“Het doel van de wijzigingen is dat de belasting in principe wordt geheven op de plaats van het verbruik, tenzij dit leidt tot extra verplichtingen voor ondernemers en belastingdiensten die als onevenredig, omslachtig of onpraktisch worden beschouwd.3”