Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/1.3
1.3 Probleemstelling
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452776:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hart 1994, p. 185, 204.
Net zoals ze door morele normen kunnen worden beïnvloed. Bovendien zijn religieuze normen vaak ook morele normen.
Hart 1994, p. 204. Het gaat hier dan uiteraard om een ‘gewone’ of seculiere wettelijke term en niet om term met een religieuze lading, anders zou er immers geen sprake zijn van een indirecte confrontatie van godsdienst maar van een directe confrontatie zoals dit hierna is beschreven.
Dworkin 1978, p. 31. Zie ook de stroming van het rechtsrealisme. Zij beweren dat rechters behalve aan de hand van juridische regels en jurisprudentie, evenzeer oordelen op basis van hun politieke en morele overtuigingen, hun sociale en economische omstandigheden, hun emoties (‘recht is evenzeer een kwestie van wat de rechter voor ontbijt gegeten heeft’). Zie Raes, NJB 1987/25, p. 777-782. Zie voor een empirische studie naar de invloed van de religieuze achtergrond van Amerikaanse rechters op de beoordeling van zaken waarin de vrijheid van godsdienst speelt: Shahshahani & Liu, Journal of Empirical Legal Studies 2017/4, p. 716-744. In deze studie wordt onder andere geconcludeerd dat joodse rechters significant vaker tot een voor de justitiabele gunstig oordeel komen dan rechters zonder geloofsovertuiging of rechters met een andere geloofsovertuiging.
Soms volgt direct uit een wettelijk voorschrift dat de erkenning dat er sprake is van godsdienst rechten met zich meebrengt. Dan ligt de belangenafweging enkel bij de opsteller van dat wettelijk voorschrift en niet bij de rechter of het bestuur.
Zie hierover 2.1.
Op zich wordt er in de wetsgeschiedenis van art. 6 Grondwet wel enige duidelijkheid gegeven over de vraag wat belijden is. Zo houdt belijden niet slechts in het hebben van een godsdienst, doch tevens het zich daarnaar gedragen, alleen of in groepsverband. Ook wordt onder belijden gerekend het uiten in de huiselijke en openbare godsdienstoefening, het uitdragen in onderwijs, opvoeding en verkondiging, het oprichten van organisaties en het zich overigens naar deze overtuiging gedragen voor zover dat rechtstreeks uitdrukking geeft aan die overtuiging. Zie Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 29. Belijden kan echter alleen begrepen worden in samenhang met godsdienst en aangezien de betekenis van godsdienst niet duidelijk is, is ook de betekenis van belijden hieraan onderhevig. Zie ook 2.2.
Zie noot 4. Daarin verwijs ik naar de wordingsgeschiedenis van art. 18 IVBPR. Zie hierover Van Boven 1967, p. 124, 161; Bossuyt 1987, p. 355-362. Ook voor art. 9 EVRM geldt dat er wel meer duidelijkheid wordt gegeven over wat belijden is: het aanbidden, het onderwijzen, het praktiseren en het onderhouden (worship, teaching, practice and observance) maar dat de betekenis hiervan onduidelijk blijft zolang de betekenis van godsdienst en levensovertuiging niet nader is gedefinieerd. Zie ook 2.2.
Vgl. Hage 2006, p. 409.
Vgl. Samkalden, NJCM-Bulletin 2004, p. 581-595.
Zie in dit kader HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201.
Zie Duynstee 1935, p. 1-2. Zie hieromtrent ook de vaste jurisprudentie van het EHRM: EHRM 26 september 1996 (Manoussakis v Griekenland), par. 47; EHRM 26 oktober, AB 2001, 183, m.nt. Kanne (Hasan en Chaush v Bulgarije); EHRM 15 januari 2013 nr. 48240/10 (Eweida and Others v United Kingdom), par. 82.
Vgl. EHRM 31 juli 2008, EHRC 2008, 125 (Jehova’s Getuigen v Oostenrijk); EHRM 25 september 2012, nr. 27540/05 (Jehova’s getuigen v Oostenrijk).
Pel 2013, p. 50. Zie ook De Beer, S&D 2007-10, p. 19.
Subjectivering wil zeggen dat het subject bepaalt wat de betekenis is van zijn godsdienst. Individualisering wil zeggen dat godsdienst op individuele wijze wordt uitgeoefend.
Pel 2013, p. 50.
Gunn, Harvard Human Rights Journal 2003, p. 191; Van der Wal, R&R 2010/39, p. 136.
Aangezien deze primaire betekenisverlening centraal staat in dit onderzoek spreek ik in het vervolg hiervan veelal over de uitleg van het begrip godsdienst in plaats van over de interpretatie van de wetgever of rechter van de (grond)wettelijke en in het EVRM opgenomen term godsdienst.
Opgenomen in de Grondwet, het EVRM of andere wetten.
Zie hierover uitgebreid 9.2.
Het verschil met interpretatie is dan dat definitie niet alleen een achterhalen is van de grammaticale, oorspronkelijke etc. betekenis maar het op nieuwe wijze verstaan van een bepaalde wettelijke term.
Zie 18.3.
Indien de rechtsregel voldoet aan de eisen van toegankelijkheid en voorzienbaarheid (accessible and foreseeable). Zie EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (Sunday Times v UK), par. 46.
Van Bijsterveld & Vermeulen 2013, p. 8, 9.
Art. 1 van de Regeling eisen pasfoto’s bepaalt dat de eisen voor de pasfoto van het paspoort (art. 28 lid 3 PUN) ook van toepassing zijn op de pasfoto van het rijbewijs.
Zie hierover ook 2.2.6 en 2.2.7.
In het verleden heeft godsdienst ongetwijfeld een belangrijke invloed gehad op de rechtsorde in de zin dat bepaalde rechtsnormen en rechtsbeginselen ervan zijn afgeleid of erdoor zijn geïnspireerd. Denk bijvoorbeeld aan het strafrecht en het personen- en familierecht, waarin we belangrijke normen uit de joods-christelijke traditie kunnen herkennen. Deze beïnvloeding kwam hoofdzakelijk tot stand door een indirecte confrontatie met het fenomeen godsdienst: godsdienst was onderdeel van de culturele context en de ontwikkeling van het recht is een product van deze culturele context.1 Gezien de in de vorige paragraaf genoemde maatschappelijke ontwikkelingen is de invloed van godsdienst op de rechtsorde tegenwoordig beduidend kleiner. Dat betekent overigens niet dat er helemaal geen invloed meer van godsdienst kan zijn op de rechtsorde. Nog steeds kunnen de wetgever en rechter bij het maken van wetten respectievelijk rechtsvinding geïnspireerd worden door ‘religieuze’ normen en waarden.2 In het geval van de rechter geldt dan dat afhankelijk of men uitgaat van een strikte of wat minder strikte rechtspositivistische positie deze invloed zich kan laten gelden in bijzondere situaties zoals bij het interpreteren van een onduidelijke wetsbepaling3 respectievelijk dat deze invloed er altijd kan zijn.4
Naast de indirecte confrontatie van de rechtsorde met godsdienst komt de rechtsorde ook meer direct in aanraking met godsdienst doordat de wetgever wetten maakt die betrekking (kunnen) hebben op een rechtsobject dat godsdienstig is of wanneer de rechter geconfronteerd wordt met claims van rechtssubjecten die betrekking hebben op een rechtsobject dat godsdienstig is. Deze directe confrontatie van de rechtsorde met godsdienst wordt in het positieve recht in twee fasen gekanaliseerd.
De eerste fase is die van de erkenning van het religieuze karakter van het rechtsobject, bijvoorbeeld wanneer de wetgever en rechter in wetgeving en jurisprudentie erkennen dat het dragen van een boerka een religieuze uiting kan zijn. De tweede fase is die van het verbinden van rechten aan het religieuze object. De rechtsorde kent in deze fase vanwege het religieuze karakter van het rechtsobject aan het rechtssubject bepaalde rechten toe, bijvoorbeeld het recht om in het openbaar een boerka te dragen. De tweede fase impliceert een afweging door de wetgever of rechter van belangen.5 Deze afweging bepaalt of de rechtsorde rechten toekent aan rechtssubjecten vanwege het religieuze karakter van het rechtsobject. Deze afweging vindt bijvoorbeeld plaats op grond van de beperkingsclausules van artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet.6 Men kan stellen dat de tweede fase de daadwerkelijke juridische bescherming van godsdienst oplevert.
De eerste fase is een voorwaarde voor de tweede fase. In dit onderzoek staat deze eerste fase centraal. De erkenning van het religieuze karakter van een rechtsobject is echter problematisch. Bezien vanuit positiefrechtelijk standpunt komt dit doordat de wetsgeschiedenis van artikel 6 Grondwet7 en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9 EVRM8 geen concreet antwoord geven op de vraag wat godsdienst is. Dit brengt het probleem met zich dat de wetgever en de rechter niet door middel van wetshistorische interpretatie een concrete betekenis van de in de Grondwet en het EVRM opgenomen term godsdienst kunnen achterhalen.9
De reden dat de wetsgeschiedenis van artikel 6 Grondwet en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9 EVRM geen concreet antwoord geven op de vraag wat godsdienst is, is primair het beginsel van scheiding tussen kerk en staat. Door dit normatieve uitgangspunt is de toekenning van betekenis aan godsdienst door de staat omstreden.10 Wanneer de staat een welomschreven juridisch begrip van godsdienst zou hanteren zou hij zich begeven op het terrein van de theologie. Hij zou dan bijvoorbeeld aan de hand van een studie naar religieuze bronnen kunnen bepalen wat wel en wat geen godsdienst is.11 Dit wordt ongewenst geacht omdat de staat zich dan zou begeven binnen een domein waar traditioneel ‘de kerk’ – en tegenwoordig voor velen wellicht het individu zelf – zich bevoegd acht. Daarnaast zou een concrete definitie van het begrip godsdienst tot gevolg hebben dat de staat zijn neutrale positie ten opzichte van de verschillende religies zou verliezen. De staat zou dan partij kiezen voor bepaalde theologische opvattingen.12 Bovendien zou een concrete definitie strijd kunnen opleveren met het gelijkheidsbeginsel doordat de rechtsorde dan enkel rechten zou verbinden aan godsdiensten die vallen onder deze definitie.13 Pel spreekt in dit verband van een paradox: de combinatie van de scheiding tussen kerk en staat en de juridische gelijkheid tussen de godsdiensten resulteert in de vrijheid om ook niet traditionele godsdiensten te beoefenen, tegelijkertijd wordt het hierdoor echter moeilijker vast te stellen waarop deze vrijheid betrekking heeft, met andere woorden, wat wel of niet ‘godsdienst’ is.14
In de huidige tijd wordt deze problematiek versterkt door de in de vorige paragraaf genoemde maatschappelijke ontwikkelingen. Dit betreft met name de komst van immigrantengodsdiensten en door de verdergaande subjectivering en individualisering van religie.15 Hierdoor is een welomschreven begrip van godsdienst ook vanuit praktisch oogpunt, vanwege de toename van diversiteit op religieus terrein, moeilijker te realiseren. Verder heeft de secularisering ertoe geleid dat godsdienst in de samenleving zijn transcendentale betekenis verliest met als gevolg dat de godsdienstvrijheid door velen als minder vanzelfsprekend wordt ervaren en er meer vragen worden gesteld bij de reikwijdte ervan.16 Ten slotte biedt de discussie over het begrip godsdienst onder vakwetenschappers, zoals theologen en filosofen, maar weinig houvast voor juristen aangezien hierover geen consensus is. Er wordt wel gesteld dat de vraag naar de betekenis van godsdienst in feite net zo oud is als de theologie zelf.17
Aangezien de opstellers van het EVRM en de grondwetgever om bovengenoemde redenen geen concrete definitie hebben gegeven van de term godsdienst zou men kunnen stellen dat de wetgever en de rechter bij de totstandkoming van wetgeving respectievelijk rechtsvinding ter zake van rechten met een religieus object degenen zijn die eerstens juridische betekenis geven aan het begrip godsdienst. Met andere woorden, met hun interpretatie van de (grond)wettelijke en in het EVRM opgenomen term godsdienst geven ze primair juridische betekenis aan het fenomeen godsdienst.18
Deze betekenisverlening vindt meestal niet plaats doordat de wetgever of rechter expliciet de (grond)wettelijke en in het EVRM opgenomen term godsdienst interpreteren maar impliciet doordat de wetgever en rechter uitingen of gedragingen als godsdienstig kwalificeren en ze objecten van rechten met een religieus karakter definiëren.
Definiëren is het beschrijven van een fenomeen waarvoor nog geen beschrijving bestaat en kwalificeren is het plaatsen van een fenomeen onder een bestaande categorie. Over het algemeen is het de wetgever die definieert en de rechter die kwalificeert. Dit komt door de invloed van de leer van de trias politica van Montesquieu op de nationale rechtsorde. Binnen dit perspectief heeft de wetgever een rechtsvormende en de rechter een rechtsvindende taak. Dit neemt niet weg dat de wetgever soms ook uitingen en gedragingen als godsdienstig kwalificeert en dat de rechter soms rechtsobjecten19 met een religieus karakter definieert.
Het definiëren van het begrip godsdienst door de wetgever kan aan de orde zijn wanneer de wetgever ervoor kiest om een thema met een religieus onderwerp op een meer abstracte wijze in de wet vast te leggen om zodoende niet in concreto te hoeven bepalen op welke situaties de wet betrekking heeft. Een voorbeeld van het definiëren van een wettelijke term met een religieuze lading door de wetgever is de definitie van de discriminatie- en beledigingsgrond ‘godsdienst’ in de wetsgeschiedenis van artikel 137c Sr. Daaruit komt naar voren dat de wetgever een begrip van godsdienst op het oog heeft gehad, dat bescherming bood aan alle aanhangers van godsdiensten en niet alleen aan de aanhangers van de van oudsher hier gevestigde (traditionele) godsdiensten.20 Het definiëren van het begrip godsdienst door de rechter is aan de orde wanneer de rechter in rechtspraak in algemene zin bepaalt dat een (grond-)wettelijke (of EVRM-)term met een religieus karakter voortaan op een bepaalde wijze moet worden uitgelegd.21 Een voorbeeld hiervan is de definiëring van de term richting in het kader van richtingsbezwaren tegen bepaalde stromingen in het onderwijs. De rechter definieerde deze term zo dat hieronder alleen ‘welbepaalde’ en geen vage of onduidelijke godsdiensten konden worden geschaard.22 In het kader van dit onderzoek stel ik dat er sprake is van een definitieprobleem omdat de wetgever, of in sommige gevallen de rechter, bij het (nader) definiëren van een term met een religieus karakter niet kan terugvallen op een duidelijk door de grondwetgever of door de opstellers van het EVRM omschreven begrip van godsdienst.
De kwalificatie van een uiting of gedraging is aan de orde wanneer de rechter of de wetgever ten aanzien van concrete rechtsobjecten moet bepalen of ze religieus van aard zijn. Zo kan de rechter in een concrete casus worden gevraagd of het dragen van een keppeltje een religieuze uiting is en kan de wetgever in de wetsgeschiedenis van een wet expliciet bepalen dat het dragen van een keppeltje een godsdienstige gedraging is. In het kader van dit onderzoek stel ik dat er sprake is van een kwalificatieprobleem omdat de rechter, of in sommige gevallen de wetgever, bij het kwalificeren van een uiting of gedraging als religieus niet kan terugvallen op een duidelijk door de grondwetgever of door de opstellers van het EVRM omschreven begrip van godsdienst.
Het kwalificatieprobleem heeft een grotere impact op de rechtsorde dan het definitieprobleem. De reden hiervoor is dat het kwalificatieprobleem een urgent karakter draagt in zaken waarbij de rechter wordt geconfronteerd met religieuze claims van rechtssubjecten en hij moet beslissen of een uiting of gedraging godsdienstig is. Dit urgente karakter is veelal afwezig bij het definiëren van termen met een religieus karakter. Dan kan de wetgever of rechter zich nog aan de oppervlakte houden door een term met een religieus karakter bewust abstract te formuleren.
Sommigen zullen wellicht het gewicht van het kwalificatieprobleem relativeren door erop te wijzen dat artikel 6 Grondwet en artikel 9 EVRM zijn voorzien van een beperkingsclausule die het mogelijk maakt om de gevolgen van een onwelgevallige kwalificatie te matigen. Met andere woorden, de vraag of iets ‘telt’ als godsdienst(ig) is voor de rechter minder dringend doordat de mogelijkheid bestaat om de betreffende uiting of gedraging de bescherming te ontzeggen op grond van de beperkingsclausule. Nog daargelaten dat dit er niet aan afdoet dat de kwalificatie noodzakelijk blijft, wil er grondrechtelijke bescherming van godsdienst kunnen zijn, kan tegen deze relativering worden ingebracht dat veel religieuze rechten niet van een beperkingsclausule zijn voorzien. In dat geval kunnen deze rechten niet rechtmatig worden beperkt omdat dit in het kader van artikel 9 EVRM alleen kan geschieden op basis van een specifieke rechtsregel23 en in het kader van artikel 6 Grondwet alleen door een specifieke regeling24 van een daartoe bevoegde wetgever.25 Dus ook met een ruime uitleg van de beperkingssystematiek blijft het kwalificatieprobleem in stand doordat voor veel rechten met een religieus object geen (juiste) regeling voorhanden is die het mogelijk maakt om het recht te beperken. Bijvoorbeeld de uitzonderingsbepaling die het vanwege religieuze redenen toestaat om met een bedekt hoofd afgebeeld te worden op een identiteitskaart of een rijbewijs (artikel 28 lid 3 Paspoortuitvoeringsregeling PUN),26 de zinsnede in artikel 1 Wet vorm van de eed die het mogelijk maakt dat men om religieuze redenen naar eigen wijze de eed kan afleggen en ten slotte de ontheffing van de leerplicht op grond van religieuze bedenkingen tegen de richting van de in de buurt gelegen scholen (artikel 5 sub b Leerplichtwet 1969). We kunnen daarom stellen dat het kwalificatieprobleem in ieder geval urgent is wanneer de godsdienstuitoefening wegens legaliteitscriteria niet kan worden beperkt.27