Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.8.5
1.8.5 Overall fairness als uitgangspunt
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 22 januari 2002, appl.no. 42011/98 (dec.) (Oyston/Verenigd Koninkrijk), p. 8.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 118.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 146.
Zie daarover Hoyano 2014.
EHRM 24 november 1986, appl.no. 9120/80 (Unterpertinger/Oostenrijk), § 29.
Zie bijvoorbeeld EHRM 27 februari 2001, appl.no. 33354/96 (Lucà/Italië).
Trechsel 2006, p. 87. Hij noemt als voorbeeld EHRM 9 april 1984, appl.no. 8966/80 (Goddi/Italië), § 28, waarin artikel 6 lid 3 sub c EVRM duidelijk geschonden was, maar het EHRM de zaak desondanks beoordeelde op overall fairness.
Esser 2002, p. 861.
Zie bijvoorbeeld EHRM 27 maart 2014, appl.no. 58428/10 (Matytsina/Rusland). In EHRM 4 december 2008, appl.no. 1111/02 (Trofimov/Rusland) werd alleen artikel 6 lid 3 sub d EVRM geschonden geacht, terwijl in § 31 werd overwogen dat de klacht zou worden onderzocht onder de twee bepalingen tezamen bezien. Volgens Rozemond 1998, p. 129 toetst het EHRM niet afzonderlijk aan artikel 6 lid 3 sub d EVRM. Deze stelling onderschrijf ik niet. Het ondervragingsrecht is mijns inziens een zelfstandig recht, waaraan het EHRM ook zelfstandig toetst. Bij de beoordeling of het ondervragingsrecht is gerespecteerd kunnen echter wel andere rechten van belang zijn die voortvloeien uit het recht op een eerlijk proces.
EHRM 27 februari 2001, appl.no. 33354/96 (Lucà/Italië); EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk).
Overigens kiest het EHRM er dikwijls voor om een klacht alleen onder artikel 6 lid 1 EVRM te onderzoeken wanneer niet alleen over ondervragingsgebreken is geklaagd, maar ook over andere aspecten van de procedure die onder artikel 6 lid 1 EVRM vallen. Wordt ten aanzien van een ander aspect een schending vastgesteld, dan wordt niet meer beoordeeld of artikel 6 lid 3 sub d EVRM ook geschonden is. Zie bijvoorbeeld EHRM (GC) 16 februari 2000, appl.no. 28901/95 (Rowe & Davis/Verenigd Koninkrijk). In EHRM 7 juli 2009, appl.no. 30542/04 (D./Finland) speelde het recht op equality of arms een belangrijke rol bij de beoordeling van de klacht met betrekking tot het ondervragingsrecht. Vermoedelijk daarom werd alleen artikel 6 lid 1 EVRM geschonden geacht. Een duidelijke lijn in de wijze waarop de dicta worden geformuleerd, lijkt te ontbreken. Zie ook de dissenting opinion van rechter Bratza bij EHRM 19 juni 2007, appl.no. 21508/02 (W.S./ Polen).
EHRM 7 juli 1989, appl.no. 14038/88 (Soering/Verenigd Koninkrijk), § 87. Zie ook EHRM 13 mei 1980, appl.no. 6694/74 (Artico/Italië), § 33.
Dennis 2010, p. 258 stelt dat het ondervragingsrecht bestaat uit een bundel van rechten.
EHRM 27 februari 2001, appl.no. 33354/96 (Lucà/Italië), § 40. Zie § 2.2.2 van hoofdstuk 7.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 146.
Dit kan onder andere worden afgeleid uit de beoordeling van de zaak van Tahery. Daarin werd een goede reden aangenomen voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. De getuigenverklaring was van beslissende betekenis en er was onvoldoende compensatie. Dat leverde een schending van het ondervragingsrecht op.
Na het arrest Al-Khawaja & Tahery heeft het EHRM ook ten aanzien van anonieme getuigen een flexibeler benadering gekozen. Voorheen mocht een veroordeling niet uitsluitend of in beslissende mate op anonieme getuigenverklaringen worden gebaseerd. In EHRM 10 april 2012, appl.nos. 46099/06 & 46699/06 (dec.) (Ellis, Simms & Martin/ Verenigd Koninkrijk) opende het EHRM de mogelijkheid daartoe. Het EHRM heeft deze koerswijziging niet gemotiveerd, evenmin als het de introductie van de regel had gemotiveerd. Mijn indruk is dat ook hier de overall fairness doorslaggevend is geweest. Het EHRM besteedde specifiek aandacht aan de (Britse) praktijk dat bepaalde informatie over de anonieme getuige wordt onthuld, waardoor het mogelijk is een succesvolle crossexamination uit te voeren. Naarmate meer informatie beschikbaar is, wordt het nadeel van de verdediging bij de ondervraging van de getuige kleiner. Een absoluut verbod op het in beslissende mate baseren van een veroordeling op anoniem getuigenbewijs zou dan onwenselijk zijn. Omde rechter niet te dwingen tot vrijspraken in dit type zaken, is het beslismodel ten aanzien van anonieme getuigen aangepast. Zie over de betekenis van dit arrest De Wilde 2012b en De Wilde 2013b.
EHRM 26 maart 1996, appl.nr. 20524/92 (Doorson/Nederland), § 70. Zie hierover uitgebreid § 2.5.4 van hoofdstuk 5.
EHRM 25 november 2003, appl.no. 48668/99 (dec.) (Nikka/Zweden), p. 8. Zie daarover § 2.4.3 van hoofdstuk 5.
Zie hierover uitgebreid § 2.4.3 van hoofdstuk 5.
EHRM 20 september 1993, appl.no. 14647/89 (Saïdi/Frankrijk).
EHRM 8 juni 2006, appl.no. 60018/00 (Bonev/Bulgarije).
Zie ook O’Brian 2011a, p. 16.
EHRM 6 december 1988, appl.no. 10590/83 (Barberà, Messegué & Jabardo/Spanje), § 89. Riordan 1999, p. 401-402 meent dat het EHRM in deze zaak beter een schending van artikel 6 lid 3 sub d EVRM had kunnen vaststellen. De beoordeling door het EHRM was in zijn ogen niet logisch samenhangend en zou daarom niet eenvoudig als precedent kunnen dienen.
EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), 165.
EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), in het bijzonder § 164- 166 en 228. Pas na de bespreking van iedere klacht afzonderlijk nam het EHRM een overweging op – onder de titel ‘Assessment of the “overall fairness” of the proceedings’ – waarin het vaststelde dat ‘having regard to the above considerations (...) the proceedings in question, taken as a whole, did not satisfy the requirements of a “fair hearing” ’. Daarbij werd voornamelijk aangegeven dat het recht op equality of arms was geschonden. Het EHRM stelde alleen een schending van artikel 6 lid 1 EVRM vast en niet tevens van artikel 6 lid 3 sub d EVRM. Dit lijkt erop te duiden dat alleen vanwege het samenstel van factoren een schending werd aangenomen. Enige nuancering is hier echter wel op zijn plaats. Ten aanzien van het ondervragingsrecht overwoog het EHRM weliswaar niet dat het was geschonden, maar de overwegingen van het EHRM rechtvaardigden die conclusie mijns inziens wel. Er was namelijk sprake van key witnesses die niet door de verdediging konden worden ondervraagd, zonder dat van compensatie sprake was. Ook in EHRM 29 augustus 2000, appl.no. 31541/96 (dec.) (Caresana/Verenigd Koninkrijk), p. 15 gaf het EHRM er blijk van dat de cumulatie van verschillende aspecten van het recht op een eerlijk proces een schending van dat recht kan opleveren. In die zaak leverden de afzonderlijke aspecten van de procedure echter geen schending op en de zaak als geheel beschouwd evenmin.
EHRM 13 april 2006, appl.no. 75699/01 (Vaturi/Frankrijk), § 56-59. Zie ook het enigszins vergelijkbare arrest EHRM 24 februari 2009, appl.no. 3584/02 (Tarău/Roemenië), § 72-77.
In EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 164 overwoog het EHRM daaromtrent: ‘that it always tries to take into account the “proceedings as a whole” before deciding whether or not there has been a violation of the Convention in respect of a specific episode’. Zie ook ECRM 15 januari 1996, appl.no. 25982/94 (Flanders/Nederland): ‘the question whether a trial is in conformity with the requirements of Article 6 para. 1 of the Convention must be considered on the basis of an examination of the proceedings as a whole and not one particular aspect of such proceedings only’.
EHRM 9 december 2008, appl.no. 4799/03 (Eloranta/Finland), § 23. Het EHRM verklaarde de klacht in deze zaak niet-ontvankelijk wegens kennelijke ongegrondheid. Het had er mijns inziens ook voor kunnen kiezen om vast te stellen dat de klager niet als slachtoffer mocht worden aangemerkt.
Vgl. EHRM 25 november 2003, appl.no. 48668/99 (dec.) (Nikka/Zweden).
EHRM 15 september 2009, appl.no. 65014/01 (Pacula/Letland), § 50; EHRM 13 november 2003, appl.no. 71846/01 (Rachdad/Frankrijk), § 25.
EHRM 3 november 2009, appl.no. 11300/03 (Kachan/Polen), § 35. In EHRM 26 april 1991, appl.no. 12398/86 (Asch/Oostenrijk) lijkt het EHRM over het hoofd te hebben gezien dat de klager klaagde over het bewijs van twee afzonderlijke feiten, te weten mishandeling en bedreiging met geweld. De overwegingen van het EHRM hebben uitsluitend betrekking op de mishandeling, ten aanzien waarvan het EHRM vaststelde dat daarvoor voldoende steunbewijs voorhanden was. Voor de bedreiging met geweld was echter alleen de verklaring van het (niet effectief ondervraagde) slachtoffer beschikbaar als direct bewijs. Of ook het aangetoonde letsel naar Oostenrijks recht bewijswaarde had voor dit delict, blijkt niet uit het arrest. Het is mogelijk dat Asch bij het EHRM alleen heeft geklaagd over de onmogelijkheid zijn vrouw te horen ter zake van de mishandeling en het EHRM om die reden slechts aandacht heeft besteed aan de veroordeling wegens mishandeling. Uit het arrest blijkt dit niet duidelijk.
Een voorbeeld hiervan is EHRM 10 november 2005, appl.no. 54789/00 (Bocos-Cuesta/ Nederland).
Algemeen
Het recht getuigen te ondervragen is een onderdeel van het moederrecht op een eerlijk proces. Aan dit moederrecht wordt een zeer belangrijke rol toegedicht bij de beoordeling of het ondervragingsrecht is gerespecteerd. In zijn beslissing in de zaak Oyston duidde het ehrm dit aan als ‘the overriding principle of fairness’.1 Tegenwoordig is de term overall fairness gangbaar. In het arrest Al-Khawaja & Tahery overwoog het ehrm:
‘the Court’s primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (...). In making this assessment the Court will look at the proceedings as a whole having regard to the rights of the defence but also to the interests of the public and the victims that crime is properly prosecuted (...) and, where necessary, to the rights of witnesses (...). It is also recalled in this context that the admissibility of evidence is a matter for regulation by national law and the national courts and that the Court’s only concern is to examine whether the proceedings have been conducted fairly’.2
Elders in hetzelfde arrest wees het ehrm op
‘the traditional way in which the Court approaches the issue of the overall fairness of the proceedings, namely to weigh in the balance the competing interests of the defence, the victim, and witnesses, and the public interest in the effective administration of justice.’3
Het algemene uitgangspunt is dus dat rekening wordt gehouden met de uiteenlopende belangen die in een strafzaak een rol kunnen spelen.4 Daarnaast moeten alle omstandigheden die zich in zo’n zaak voordoen, kunnen meewegen. In het beslismodel en bij de concrete toepassing daarvan komt de overall fairness op verschillende manieren tot uiting. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen de beoordeling van afzonderlijke beoordelingsfactoren en de beoordeling van de zaak als geheel.
Beoordeling klachten tegen de achtergrond van artikel 6 lid 1 EVRM
Klachten over schending van de rechten van artikel 6 lid 3evrm worden vrijwel standaard beoordeeld tegen de achtergrond van het moederrecht op een eerlijk proces. Dat benadrukte het ehrm reeds in het arrest Unterpertinger:
‘The Court recalls that the guarantees contained in paragraph 3 are specific aspects of the general concept of a fair trial set forth in paragraph 1 (...). In the circumstances of the instant case, it will consider the applicant’s complaints from the angle of paragraph 1 taken together with the principles inherent in paragraph 3 (d).’5
Wordt vastgesteld dat een veroordeling onverenigbaar is met het ondervragingsrecht, dan worden ook meestal beide bepalingen in verbinding met elkaar geschonden geacht.6 Hoewel het ehrm deze benadering al decennia lang hanteert, is de concrete betekenis ervan niet zonder meer duidelijk. Trechsel meent dat het ehrm onduidelijkheid creëert door in verreweg de meeste zaken artikel 6 lid 1evrm aan te voeren als toetsingsmaatstaf, ook wanneer de klacht op grond van een van de specifieke rechten van artikel 6 lid 3evrm gegrond kan worden verklaard.7 Anderen gaan nog verder en stellen dat het ehrm zijn taak om de jurisprudentie van het evrm op een heldere manier tot ontwikkeling te brengen verwaarloost.8
Het ehrm concludeert een enkele keer dat alleen artikel 6 lid 3 sub d evrm al dan niet is geschonden.9 In de meeste gevallen waarin het ondervragingsrecht is beoordeeld, wordt echter al dan niet een schending vastgesteld van artikel 6 lid 1 in verbinding met 6 lid 3 sub d evrm.10 De toegevoegde waarde van toetsing aan lid 1 komt echter zelden expliciet naar voren in de motivering door het ehrm. In zaken waarin het ondervragingsrecht op grond van de toepassing van het hiervoor genoemde beslismodel niet geschonden wordt geacht, zal de benadering vanuit artikel 6 lid 1 evrm namelijk niet snel leiden tot een andere conclusie.11
Toch kan niet worden gezegd dat de standaardoverweging van het ehrm slechts een toverformule is die nooit praktische betekenis kan hebben bij de beoordeling van een concrete klacht. Het ehrm stelde in het arrest Soering dat ‘the object and purpose of the Convention as an instrument for the protection of individual human beings require that its provisions be interpreted and applied so as to make its safeguards practical and effective’.12 De rechten die onder artikel 6evrm vallen, hangen sterk met elkaar samen. Zo sterk, dat zelfs kan worden betwijfeld of het ondervragingsrecht theoretisch wel zuiver kan worden gescheiden van andere rechten.13 Duidelijk is in ieder geval dat de effectiviteit van de uitoefening van het ondervragingsrecht sterk afhangt van aspecten die worden gewaarborgd door andere artikel-6-rechten. Daarop zal ik nader ingaan in § 8.6. Dat het ondervragingsrecht niet goed los te zien is van andere aspecten van het recht op een eerlijk proces, neemt niet weg dat in de meeste zaken klachten over schending van het ondervragingsrecht door toepassing van het beslismodel kunnen worden beoordeeld.
Overall fairness als uitgangspunt van het beslismodel
Vóór het arrest Al-Khawaja & Tahery hanteerde het ehrm een strikte sole or decisive rule. Deze hield in dat het ondervragingsrecht geschonden werd geacht wanneer de verklaring van een niet door de verdediging ondervraagde getuige van beslissende betekenis was.14 Het strikt toepassen van dit model zou er volgens het ehrm echter toe leiden dat schendingen zouden moeten worden vastgesteld in zaken waarin de overall fairness niet is aangetast. Omdat alle belangen en omstandigheden van een zaak moeten kunnen worden meegewogen bij de beoordeling van een klacht, werd de sole or decisive rule in het arrest Al-Khawaja & Tahery gerelativeerd, met een beroep op het uitgangspunt van overall fairness:
‘It would not be correct, when reviewing questions of fairness, to apply this rule in an inflexible manner. Nor would it be correct for the Court to ignore entirely the specificities of the particular legal system concerned and, in particular its rules of evidence, notwithstanding judicial dicta that may have suggested otherwise (...). To do so would transform the rule into a blunt and indiscriminate instrument that runs counter to the traditional way in which the Court approaches the issue of the overall fairness of the proceedings, namely to weigh in the balance the competing interests of the defence, the victim, and witnesses, and the public interest in the effective administration of justice.’15
Hoewel het ehrm het niet met zoveel woorden heeft overwogen, kan worden vastgesteld dat ingeval een beslissende getuige niet is kunnen worden ondervraagd door de verdediging, het ondervragingsrecht in beginsel nog steeds geschonden wordt geacht.16 Dat kan echter anders zijn wanneer de betrouwbaarheid van de getuige voldoende kon worden onderzocht op andere manieren dan door een ondervraging. In dat geval doen zich compenserende factoren voor. Die kunnen ertoe leiden dat het ehrm oordeelt dat het recht op een eerlijk proces toch voldoende is gerespecteerd.17
Overall fairness bij de beoordeling van afzonderlijke beoordelingsfactoren
De afweging van belangen speelt soms een rol bij de beoordeling of een goede reden heeft bestaan voor het uitblijven van een ondervragingsgelegenheid. Het belang van de getuige om niet te worden geconfronteerd met de verdachte of met de ten laste gelegde feiten mag soms prevaleren boven het belang van de verdachte om de getuige te ondervragen.18 Ook bij beoordeling of de nationale autoriteiten zich voldoende hebben ingespannen om een getuigenverhoor te realiseren kan de afweging van belangen relevant zijn. Het belang van een ‘effective administration of justice’ en de belangen van de verdachte kunnen met zich brengen dat die inspanningen mogen worden gestaakt. Een zaak moet namelijk binnen een redelijke termijn worden berecht, een ander belang van de verdachte.19 Het is ook de vraag of hoge kosten voor het traceren en laten ondervragen van de getuige in alle gevallen gerechtvaardigd zijn.20 Ten slotte kan worden gewezen op de rol van fairness bij de beoordeling van de activiteit van de verdediging in de nationale procedure. Soms zal bijvoorbeeld flexibel moeten worden omgegaan met de situatie waarin de verdediging niet volgens de regels van het nationale recht een getuigenverzoek heeft gedaan.21 Ook kan het al dan niet hebben genoten van rechtsbijstand invloed uitoefenen op de beantwoording van de vraag of de verdachte zich voldoende heeft ingespannen om een ondervragingsgelegenheid te krijgen.22
Overall fairness bij cumulatie van klachten
In de zaak Al-Khawaja was de overall fairness een argument om geen schending aan te nemen in een zaak waarin op grond van toepassing van het oude beslismodel vermoedelijk wel een schending zou zijn vastgesteld. De overall fairness ten aanzien van de zaak als geheel kan echter ook andersom werken. Het recht getuigen te ondervragen is slechts één van de rechten die aan de verdediging toekomen in een strafrechtelijke procedure. Soms wordt over meer aspecten van de procedure geklaagd, terwijl deze klachten op zichzelf genomen de vaststelling van een schending niet rechtvaardigen. Op grond van het geheel van omstandigheden kan dan in een enkel geval toch een schending worden vastgesteld.23
In de zaak Barberà, Messegué & Jabardo is dit gebeurd. Het ehrm noemde als relevante omstandigheden dat de verdachten verlaat van Barcelona naar Madrid waren vervoerd en na 600 kilometer reizen vlak voor de zitting aankwamen, de onverwachte wijziging in de samenstelling van de rechtbank, de korte duur van het onderzoek ter zitting en het feit dat zeer belangrijke bewijsstukken niet behoorlijk waren ingebracht en niet ter zitting aan de orde waren gesteld in aanwezigheid van de verdachten en het publiek. Stuk voor stuk waren deze omstandigheden niet onverenigbaar met het recht op een eerlijk proces. Bij elkaar genomen kon echter niet worden gezegd dat de verdachten een eerlijk proces hadden gehad.24 In het arrest Mirilashvili analyseerde het ehrm de overwegingen uit dit arrest als volgt: ‘In Barberà, Messegué and Jabardo v. Spain (...) the Court found that the domestic proceedings had been unfair because of the cumulative effect of various procedural defects. Each defect, taken alone, would not have convinced the Court that the proceedings were “unfair”, but their coexistence was the factor that led to a finding of a violation of Article 6.’25 In de zaak Mirilashvili zelf werd niet alleen geklaagd over het niet kunnen ondervragen van bepaalde getuigen, maar ook over het niet ter beschikking stellen van tapmachtigingen, het weigeren bepaalde deskundigen te benoemen en de partijdigheid van deskundigen. Bij de beoordeling van ieder van deze klachten afzonderlijk constateerde het ehrm geen schending van artikel 6evrm. Omdat de verdediging echter op veel punten aanzienlijk was ingeperkt in de uitoefening van haar rechten, meende het ehrm dat het recht op een eerlijk proces was geschonden. Ook hier leidde dus de optelsom van alle overwegingen tot de vaststelling van een schending.26
Het is denkbaar dat een schending van artikel 6 lid 3 sub d evrm wordt vastgesteld in een geval waarin zowel belastende als ontlastende getuigen niet konden worden ondervraagd, terwijl het recht om belastende getuigen te ondervragen afzonderlijk beschouwd niet geschonden wordt geacht en het recht ontlastende getuigen op te roepen evenmin. In de zaak Vaturi achtte het ehrm de belastende getuigenverklaringen niet van beslissende betekenis. Het benadrukte echter dat alle beoordelingsfactoren tezamen moeten worden bezien. Het noemde vervolgens een aantal factoren die het relevant achtte voor de beoordeling van de klacht. Hoewel de zaak complex was en er veel partijen bij betrokken waren, was deze met een eenvoudig politieonderzoek onderzocht, zonder dat een rechter-commissaris in de zaak betrokken werd. Daardoor was Vaturi niet in staat geweest tijdens het voorbereidend onderzoek verzoeken tot nader onderzoek te doen en evenmin om de getuigen in dat stadium te ondervragen. Het verzoek van de klager tot oproeping van de belastende getuigen was bovendien (te) kort en bondig afgewezen. Dit leidde niet tot de conclusie dat het recht belastende getuigen te ondervragen was geschonden. Ten aanzien van de niet-opgeroepen ontlastende getuigen stelde het ehrm evenmin een schending vast. Alle factoren tezamen genomen meende het ehrm echter dat artikel 6 lid 3 sub d evrm – dat beide rechten omvat – was geschonden.27
Het verdient opmerking dat het ehrm in slechts enkele zaken expliciet een schending van artikel 6 lid 1evrm heeft vastgesteld op grond van het ontbreken van overall fairness, terwijl in die zaken niet steeds duidelijk was waarom het recht belastende of ontlastende getuigen te ondervragen afzonderlijk beschouwd niet was geschonden. Het is dan ook zeer uitzonderlijk dat het ehrm op deze grond een schending vaststelt. In veruit de meeste zaken volgden de beslissingen van het ehrm uit de toepassing van het beslismodel.
Geen beoordeling van afzonderlijke procesfasen
Dat de overall fairness van de procedure wordt onderzocht, brengt met zich dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat het ondervragingsrecht in een bepaalde procesfase niet is gerespecteerd. Het ehrm beoordeelt als regel de procedure als geheel en geen afzonderlijke procesfasen daarvan.28 Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat een getuigenverzoek in eerste aanleg ten onrechte is afgewezen, maar dezelfde getuige in hoger beroep is gehoord. In dat geval is het vruchteloos om in Straatsburg te klagen dat de getuige in eerste aanleg niet kon worden ondervraagd. Het is kennelijk mogelijk geweest een rechtsmiddel aan te wenden tegen de beslissing van de rechter in eerste aanleg en dat heeft ertoe geleid dat de getuige alsnog is gehoord. Hier kan een verband worden gelegd met de ontvankelijkheidsvoorwaarde dat de klager daadwerkelijk slachtoffer is van een schending van een evrm-recht. Wanneer een schending in eerste aanleg is hersteld in hoger beroep, kan de klager niet meer worden aangemerkt als slachtoffer. In de zaak Elorante had wel de rechter in eerste aanleg, maar niet de appèlrechter de betwiste getuigenverklaring voor het bewijs gebruikt en werd de klacht om deze reden niet-ontvankelijk verklaard.29
Deze benadering brengt tevens mee dat de appèlfase niet geïsoleerd wordt beoordeeld. De afwijzing van een getuigenverzoek in hoger beroep is doorgaans niet bezwaarlijk wanneer de verdediging de desbetreffende getuige in eerste aanleg heeft gehoord.30 Dat zal anders kunnen zijn wanneer de getuige bijvoorbeeld nadien een nadere verklaring heeft afgelegd of duidelijke indicaties bestaan dat de getuige onjuist heeft verklaard. Uiteindelijk draait het in Straatsburg voornamelijk om de laatste veroordelende uitspraak van de nationale feitenrechter. Wanneer een cassatieberoep is afgewezen, heeft dat immers als gevolg dat de uitspraak van de hoogste feitelijke rechter, meestal de appèlrechter, in stand is gebleven. De juridische overwegingen van de cassatierechter kunnen uiteraard wel relevant zijn voor de beoordeling van het ehrm.
Beoordeling per feit waarvoor is veroordeeld
De overall fairness van de hele procedure wordt beoordeeld. Dikwijls wordt een verdachte veroordeeld wegens meer strafbare feiten. In dat geval moet in beginsel per feit waarvoor is veroordeeld worden onderzocht of de procedure eerlijk is verlopen.31 In de zaak Kachan was de verdachte veroordeeld wegens twee verschillende feiten, waarbij ook per feit verschillende bewijsmiddelen waren gebruikt. Het ehrm overwoog dat daarom ook per feit moest worden beoordeeld of het ondervragingsrecht was gerespecteerd.32 Wanneer de feiten sterk op elkaar lijken en hetzelfde bewijsmateriaal relevant is voor het bewijs van meer feiten, kiest het ehrm doorgaans voor een andere benadering. Zo heeft het veel zaken beoordeeld waarin de klager was veroordeeld wegens meerdere, vaak gelijksoortige zedendelicten jegens verschillende slachtoffers. Wanneer in die zaken geen van de slachtoffers kon worden ondervraagd, beoordeelde het ehrm of de veroordeling ter zake van alle ten laste gelegde feiten tezamen genomen in overeenstemming met het ondervragingsrecht was.33