Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.4.3
2.4.3 Niet bij de uitvoering van de wet betrokken ambtsdragers
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285279:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 4 juli 1850, regelende het kiesregt en de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal mitsgaders den rooster hunner aftreding (Kieswet 1850), Kamerstukken II 1849, XXIX, Stb. 1850, nr. 37. Zie uitgebreider: Moes 2012, blz. 373 e.v. en Van Walsum 1900, blz. 334 e.v., nrs. 507-510.
VV, Kamerstukken II 1893/94, 121 en 119, nr. 4, blz. 5.
Zie uitgebreider: de Vaststelling der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1893 (VV, Handelingen I 1892/93, blz. 215 e.v. en MvA, Handelingen I 1892/93, blz. 218 e.v.).
VV, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 5, blz. 58.
Het amendement was tweeledig, naast de aangenomen wijziging in art. 47 Wet VB 1892 werd (tevergeefs) voorgesteld om art. 48 Wet VB 1892 te wijzigingen teneinde gemeenteambtenaren inzage te kunnen verstrekken ten behoeve van de gemeentelijke inkomstenbelasting (Amendement Mees c.s., Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 27 en Handelingen II 1891/92, blz. 1336-1340). Zie ook: Van Walsum 1900, blz. 328, nr. 497. Van Walsum en De Wilde verstaan onder ‘uit hoofde van zijn ambt’ elke door het publiekrecht beheerste betrekking (Van Walsum/De Wilde 1920, blz. 357, nr. 400).
VV, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 5, blz. 58.
MvA, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 6, blz. 87 waarin wordt verwezen naar de Vaststelling der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1893 (Handelingen I 1892/93, blz. 218 en Handelingen I 1892/93, blz. 283). Zelfs van belastingplichtigen die geen enkele ambitie hadden om ooit als lid van de Eerste Kamer in aanmerking te komen zouden gegevens worden gepubliceerd (Handelingen I 1893/94, blz. 77). De schending van de toegezegde geheimhouding zou meer weerstand opwekken dan het betalen van de belasting zelf (Handelingen I 1893/94, blz. 78).
Vaststelling der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1893 (VV, Handelingen I 1892/93, blz. 215 e.v., MvA, Handelingen I 1892/93, blz. 218 e.v. en Handelingen I 1892/93, blz. 283 e.v.) en de behandeling van de Wet op de BB 1893 (Handelingen I 1893/94, blz. 79).
De behandeling van de Wet op de BB 1893 (Handelingen I 1893/94, blz. 79).
Vaststelling der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1893 (VV, Handelingen I 1892/93, blz. 215. Vergelijk: J.L.M. Gribnau en A.O. Lubbers, Aanbevelingen tot verbetering van het fiscale wetgevingsproces, WFR 2010/1388, par. 2.3 over het non-interventiebeginsel.
Wet van 7 september 1896, tot regeling van het kiesrecht en de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kieswet 1896), Kamerstukken II 1895//96, 27, Stb. 1896, 154. De vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1894/95, 200.
In 1872 werd bij de parlementaire behandeling van een van de eerdere wetsvoorstellen (Ontwerp van wet tot een algemeene belasting op de inkomsten, ter vervanging van het regt van patent en van den accijns op het geslagt, Kamerstukken II 1871/72, 41, nr. 2) opgemerkt dat de ‘zucht tot geheimhouding van fortuin’ overdreven werd voorgesteld omdat juist de lijsten van hoogstaangeslagenen het tegendeel bewees (Rahder 1892, blz. 168 en MVA, Kamerstukken II 1871/72, 41, nr. 5 blz. 1177).
Initiatiefwetsvoorstel van Kamerlid Hintzen, Kamerstukken II 1893/94, 119, nrs. 1-3.
Zie ook: H.W. de Wilde, De verplichting tot geheimhouding in zake vermogensbelasting, Weekblad voor Notaris-ambt en Registratie, 3 mei 1896, nr. 1375 en 10 mei 1896, nr. 1376.
Van Walsum 1900, blz. 329, nr. 499 en Van Walsum/De Wilde 1920, blz. 356.
In par. 103 Leiddraad Bedrijfsbelasting 1893 werd vastgelegd dat de verplichting tot geheimhouding: “(…) is opgelegd aan ieder, die een ambt bekleedt of bekleed heeft, waarin hij kennis verkreeg van het een of ander betrekking hebbende op deze belasting of hetgeen daarmede ook maar enigszins verband houdt”.
De aanvulling ‘in verband daarmede’ is direct herleidbaar naar par. 103 Leiddraad Bedrijfsbelasting 1893.
Sinninghe Damsté noemt in dit kader de ambtenaren van het Centraal Bureau voor de Statistiek (Sinninghe Damsté 1935, blz. 477). Vergelijk: resolutie van 18 november 1919, nr. 78, V. nr. 1190 jo. art. 38, tweede lid, Ouderdomswet 1919.
“Deze ambtenaren [betrokken bij de uitvoering van de Wet VB 1892 en de SW 1859, VDS] vallen dan insgelijks onder het verbod van het artikel” (MvT, Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 3, blz. 42).
Vide: art. 860, derde lid, en art. 874 van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Wet van 1 augustus 1936, tot herziening der voorschriften nopens de toelating om kosteloos te proceederen, Kamerstukken II 1935/36, 46, Stb. 1936, 204. De vroegere stukken zijn gedrukt onder Kamerstukken II 1932/33, 146).
Art. 6 besluit kosteloos procederen (1937).
Om als lid van de Eerste Kamer in aanmerking te komen moest men, op grond van de Kieswet 1850, behoren tot de hoogstaangeslagenen in de Rijks-directe belastingen (de grondbelasting, de personele belasting en de patentbelasting), het zogeheten cencus-kiesrecht.1 De Colleges van Gedeputeerde Staten moesten, ten behoeve van het samenstellen en bewerken van de lijsten van hoogstaangeslagenen, kennisnemen van de belastingaanslagen.2 De lijsten met hoogstaangeslagenen werden jaarlijks in de Staatscourant gepubliceerd zodat een ieder bezwaar kon maken ingeval zijn naam niet op de lijst stond of daar onterecht was opgekomen.3 De Wet VB 1892 en de Wet op de BB 1893 waren eveneens aan te merken als directe belastingen en dat leidde, gezien de strikte geheimhoudingsbepalingen, tot problemen.4 Met het laten vervallen van de passage ‘bij de uitvoering dezer wet’ uit het Ontwerp van wet (Wet VB 1892) middels een door de regering overgenomen amendement werd de geheimhoudingsbepaling ook van toepassing op alle andere personen – waaronder de leden van de Gedeputeerde Staten en de onder hen werkzame ambtenaren – die uit hoofde van hun ambt de beschikking over fiscale gegevens kregen van de inspecteur.5
Bij de behandeling van de Wet op de BB 1893 werd opnieuw gevraagd hoe de geheimhouding kon worden gewaarborgd in het licht van de jaarlijkse publicatie in de Staatscourant van de lijsten van hoogstaangeslagenen.6 Minister Pierson verwees in zijn reactie kortweg naar de Wet VB 1892.7 Hij verdedigde zich in eerste instantie met de opmerking dat de Kieswet 1850 niet zijn verantwoordelijkheid was, maar gaf aan bereid te zijn hierover in overleg te treden met de minister van Binnenlandse Zaken.8 Terecht werd in de Tweede Kamer opgemerkt dat dit een bijzondere opvatting van de regeringstaak en de ministeriële homogeniteit en verantwoordelijkheid was.9 Het was de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën dat, vanaf het moment dat geheimhouding in de wet was opgenomen, deze verplichting ook in andere wetgeving (in casu de Kieswet 1850) voldoende werd geregeld.10 Vooruitlopend op de vervanging van de Kieswet 1850 door de Kieswet 189611 is (wederom) een discussie ontstaan over de geheimhoudingsplicht in de vermogensbelasting en de benodigde openbaarheid om effectief bezwaar te kunnen maken in het belang van het kiesrecht.12 Uiteindelijk werd, na afweging van belangen, gekozen om op de lijst van hoogstaangeslagenen het minimumbedrag te vermelden zodat de geheimhouding in de Wet VB 1892 grotendeels bleef behouden.13 Ook andere ambtenaren die bij de uitvoering van andere belastingwetten dan de Wet VB 1892 de beschikking kregen over de fiscale gegevens uit de Wet VB 1892, zoals de ontvangers der directe belastingen,14 inspecteurs der directe belastingen, de ambtelijke leden van de commissie van aanslag voor de bedrijfsbelasting en ambtelijke leden van schattingscommissie en de commissie van aanslag voor de inkomstenbelasting15 vielen rechtstreeks over de geheimhoudingsplicht uit de Wet VB 1892.16 Voortbordurend op de Wet VB 1892 werd in de Wet op de BB 1893 bepaald dat die geheimhoudingsbepaling van toepassing werd op alle ambtsdragers die de beschikking kregen over fiscale gegevens uit de Wet op de BB 1893, ongeacht of zij bij de uitvoering van die belastingwet betrokken waren.17
De in de Wet VB 1892 geschrapte zinsnede ’bij de uitvoering dezer wet’ kwam in de Wet IB 1914 weer terug en werd aangevuld tot: ‘bij de uitvoering dezer wet of in verband daarmede’.18 Ook onder de Wet IB 1914 werd beoogd de fiscale geheimhoudingsverplichting op te leggen aan ambtsdragers die – door tussenkomst van een reeds onderworpen subject – de beschikking kregen over fiscale gegevens, ongeacht of zij waren betrokken bij de uitvoering van de Wet IB 1914. Deze geheimhoudingsverplichting gold voor alle ambtenaren en dus niet alleen voor ambtenaren, ressorterende onder het Departement van Financiën.19 Als voorbeeld werden in de memorie van toelichting genoemd de ambtenaren die fiscale gegevens (uit de Wet IB 1914) verkrijgen voor de uitvoering van de Wet VB 1892 en de SW 1859.20 Op hen was zowel art. 102 Wet IB 1914 als de ‘eigen’ geheimhoudingsbepaling van toepassing. In 1936 kreeg de burgerlijke rechter de bevoegdheid om inkomensgegevens op te vragen bij de inspecteur in verband met de mogelijkheid om kosteloos te procederen door min- en onvermogenden.21 Ten overvloede werden de leden van de rechterlijke macht gewezen op de verplichting tot geheimhouding.22
2.4.3.1 Bestuurders en ambtenaren van kerkgenootschappen