Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.6.3:9.6.3 Evaluatie van de aannames en argumenten van de Technische commissie douanewaarde
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/9.6.3
9.6.3 Evaluatie van de aannames en argumenten van de Technische commissie douanewaarde
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258328:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
L. Ruessmann & A. Willems, Revisiting the First Sale for Export Rule: An Attempt to Remove Fairness in the Interest of Raising Revenues, Without Improving Legal Certainty, World Customs Journal 3(1), p. 48-49.
HvJ EEG 6 juni 1990, nr. C-11/89 (Unifert Handels GmbH tegen Hauptzollamt Münster), ECLI:EU:C:1990:237, r.o. 11.
Zie over de bijtelling van assists nader onderdeel 10.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ruessmann en Willems1 hebben in een bijdrage de vijf argumenten zoals opgenomen in 9.6.2 geanalyseerd en zij kwalificeerden de aannames die de Technische commissie douanewaarde maakte bij het formuleren van hun argumenten als gebrekkig. Hieronder zijn hun bezwaren samengevat opgenomen en daaropvolgend voorzien van mijn (aanvullend) commentaar:2
R&W: de aanname dat de koper is gevestigd in het land waar de goederen worden ingevoerd strookt niet met de commerciële werkelijkheid waarbij bijvoorbeeld de tussenpersoon in een derde land kan zijn gevestigd.
MLS: in aanvulling kan worden gesteld dat het maken van een onderscheid tussen een EU-gevestigde koper en niet-EU-gevestigde koper voor het bepalen van de relevante verkoop voor uitvoer, zich niet verhoudt met het uitgangspunt van neutraliteit, omdat het een non-tarifaire belemmering opwerpt. Daarnaast staat de vaststelling van een verkoop voor uitvoer aldus het Hof van Justitie los van de vestigingsplaats van de betrokken partijen getuige hetarrest Unifert Handels GmbH tegen Hauptzollamt Münster.3 Niettemin speelt de vestigingsplaats van de koper een rol voor wat betreft het bepalen van de douanewaarde in bijvoorbeeld Canada (‘purchaser in Canada’), zie nader onderdeel 9.5.3.3.
R&W: de term ‘verkoper’ en ‘importeur’ worden aldus de Technische commissie douanewaarde van de WDO afwisselend in de CVA gebruikt, wat er op zou duiden dat er geen onderscheid tussen beide termen wordt gemaakt. In artikel 1 CVA is de uitwisselbaarheid beperkt tot de situatie waarbij slechts sprake is van één enkele verkoop, terwijl artikel 1 niet verwijst naar het bepalen van de douanewaarde bij opeenvolgende verkopen. Het in algemene zin betogen dat sprake is van uitwisselbaarheid leidt hierbij tot misconcepties.
MLS: in de CVA lijkt het woord importeur enkel te worden gebruikt indien sprake is van bepalingen over informatie-uitwisseling, bewijslastverdeling, het recht tot het indienen van verzoeken, beroepsmogelijkheden en zekerheidsstelling. Het gaat kortom om de toekenning van rechten en verplichtingen aan de persoon die uiteindelijk de invoeraangifte indient, terwijl de bepalingen waarin het woord ‘koper’ wordt gebruikt meer materieel van aard zijn. Deze bepalingen hebben onder andere betrekking op de vraag welke waarderingsmethode toegepast moet worden en welke prijselementen in aanmerking genomen moeten worden voor de vaststelling van de douanewaarde. De stelling van de Technische commissie douanewaarde van de WDO dat de termen importeur en koper uitwisselbaar zijn, onderschrijf ik derhalve niet. Dit betekent dat niet uit de CVA kan worden afgeleid dat de koper van de ingevoerde goederen gelijk moet zijn aan de persoon die optreedt als importeur.
R&W: de veronderstelling dat niet alle prijselementen in de prijs worden betrokken indien de douanewaarde wordt bepaald op basis van een eerste of eerdere verkoop faalt. Er zijn in de douanewetgeving voldoende waarborgen opgenomen om additionele prijselementen op te nemen in de douanewaarde. In dat kader wordt onder andere verwezen naar artikel 32, lid 1, onderdeel b, CDW (thans artikel 71, lid 1, onderdeel b, DWU) waaruit volgt dat ‘assists’ moeten worden bijgeteld.4
MLS: met Ruessmann en Willems ben ik van mening dat in de douanewetgeving inderdaad wordt voorzien in bepalingen die ertoe strekken dat bepaalde elementen in aanmerking moeten worden genomen voor de vaststelling van de douanewaarde. Voor zover het ‘assists’ betreft, zal het voor het in aanmerking nemen niet uitmaken of de douanewaarde op een eerdere of eerste verkoop wordt vastgesteld of dat de douanewaarde wordt vastgesteld op basis van een laatste verkoop voor uitvoer. Voornoemde geldt eveneens voor transportkosten. Dit geldt onder voorwaarden echter niet voor commissie- en royaltybetalingen. ‘Bijtelling’ van commissie- en royaltybetalingen geschiedt namelijk enkel wanneer de commissie ten laste komt van de koper en zij niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen c.q. de royaltybetaling een voorwaarde voor de verkoop betreft en verband houdt met de goederen die onderwerp zijn van de verkoop voor uitvoer. Een en ander kan aan de hand van onderstaand voorbeeld worden geïllustreerd zoals opgenomen in figuur 9.11. Fabrikant A verkoopt goederen aan distribiteur B, waarop zij worden doorverkocht aan inkoper C die de goederen tot slot aan retailer D verkoopt. De goederen worden rechtstreeks vanuit een derde land naar de Europese Unie vervoerd. Inkoper C betaalt een commissie (niet zijnde een inkoopcommissie) aan partij X en verricht een royaltybetaling aan partij Y voor de goederen die hij van distributeur B betrekt als voorwaarde van die verkoop.
Figuur 9.11 – Keuze relevante verkoop voor uitvoer van belang voor bijtelling prijselementen
Indien de douanewaarde op basis van de verkoop C-D wordt bepaald, zouden de commissie- en royaltybetalingen in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen. Indien de douanewaarde op basis van de verkoop B-C wordt vastgesteld, zouden de commissie- en royaltybetalingen in aanmerking genomen moeten worden. Indien de verkoop A-B echter als grondslag voor de douanewaarde wordt gebruikt, zijn de commissie- en royaltybetalingen niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs begrepen en hoeven zij ook niet separaat in aanmerking te worden genomen op basis van artikel 71, lid 1, onderdeel a, ten eerste respectievelijk lid c, DWU. In zoverre voert de Technische commissie douanewaarde van de WDO een terecht punt aan en vindt dit tegenargument van Ruessmann en Willems slechts in beperkte mate toepassing.
R&W: de veronderstelling dat de first-sale de waarde vertegenwoordigt van de verkoopprijs die gelijk is aan de prijs op de lokale markt in het land van export is onjuist (‘Exporting country's home market prices’, zie onderdeel 5.3.3.2.3). Vaak vindt de eerste verkoop namelijk niet plaats tussen een fabrikant en een in hetzelfde land gevestigde partij.
MLS: het standpunt van Ruessmann en Willems onderschrijf ik. In hedendaagse bedrijfsstructuren is het zeer gebruikelijk dat de partij die de goederen van de fabrikant aankoopt, niet in hetzelfde land is gevestigd. Neem daarbij het voorbeeld van de LRD zoals genoemd in onderdeel 1.4.5.4 waarbij de goederen centraal worden ingekocht. Daarbij zal een (regionale) principaal, die bijvoorbeeld in Zwitserland is gevestigd, de goederen betrekken van diverse fabrikanten gevestigd in derde landen en daaropvolgend doorverkopen aan lokale LRD’s gevestigd in de Europese Unie. In deze structuur is sprake van twee opeenvolgende verkopen, maar de partij die de goederen betrekt van de fabrikant is niet gevestigd in hetzelfde land als de fabrikant. Desondanks zijn de goederen wel degelijk verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Europese Unie.
R&W: de zienswijze van de Technische commissie douanewaarde van de WDO faalt, omdat zowel bij toepassing van het first-sale principe als bij toepassing van het last-sale- principe, douaneautoriteiten de mogelijkheid hebben om informatie op te vragen om na te gaan of de douanewaarde juist is aangegeven. Indien de douaneautoriteiten twijfels houden, kunnen zij overgaan tot afwijzing van de transactiewaarde.
MLS: op grond van artikel 181bis TCDW konden douaneautoriteiten onder het CDW aanvullende informatie opvragen bij de aangever indien zij twijfels hadden of de aangegeven waarde overeenkwam met de totaal betaalde of te betalen prijs. Indien zij gegronde twijfels hielden na overlegging van de aanvullende informatie, konden zij de transactiewaarde van de hand wijzen (onderdeel 6.3.1). Bij toepassing van een eerste of eerdere waarde zijn in Commentaar 7 Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) criteria gesteld voor het door de aangever in te dienen bewijsmateriaal (onderdeel 9.4.6.3). Ook onder het DWU staat het de douaneautoriteiten op grond van artikel 140 UDWU vrij om aanvullende informatie op te vragen en de transactiewaarde van de hand te wijzen indien gegronde twijfels blijven bestaan over de aangegeven waarde. Deze bevoegdheden, stellen naar mijn mening de douaneautoriteiten zowel bij toepassing van een laatste alsmede een eerdere of eerste verkoop voldoende instaat om de informatie te verifiëren.