Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/16.1.3
16.1.3 Ontstaan van de huidige regeling
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS299279:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wiarda 1937, p. 313.
Wiarda 1937, p. 313.
Zie in deze zin bijvoorbeeld Land/Star Busmann 1917 p 120-121.
Zie de literatuur genoemd bij Wiarda 1937, p. 313.
Parlementaire Geschiedenis Invoering Boek 7, p. 16.
Zie over deze samenloop Prinsen 2004, p. 46.
Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 312-313.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 527.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 531.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 527.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 531.
Zie de expliciete wens van Meijers om de werking van het artikel uit te breiden tot voorrechten in Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 528.
Pitlo 1972, p. 442-443.
727. De regeling in art. 6:142 BW is gebaseerd op art. 1569 OBW.1 Dit artikel bepaalde: “De verkoop van eene inschuld bevat al wat daartoe behoort, als borgtochten, voorregten en hypotheken”. Ook hier gaf de wet dus geen uitputtende opsomming van alles dat bij een vordering hoort.2 Gelet op de tekst van de bepaling lijkt het artikel alleen betrekking te hebben op de overgang van een vordering door overdracht als gevolg van een koopovereenkomst. In de loop der tijd werd het artikel echter ook bij andere gevallen van overgang toegepast.3 De precieze bedoeling van het artikel was niet helemaal duidelijk. Sommige auteurs gingen ervan uit dat het artikel een vermoeden inhield voor wat er bij een koopovereenkomst onder de koop van een vordering begrepen zou moeten worden. Dit betekende dat de verkoper ervoor moest instaan dat de koper deze rechten zou kunnen uitoefenen, eventueel door ze afzonderlijk aan de koper te leveren.4 Na verloop van tijd ging het merendeel van de literatuur er echter van uit dat de accessoria (nevenrechten) van een vordering automatisch met die vordering mee overgingen.5 Zowel de gevallen waarin art. 1569 OBW van toepassing was, als de rechtsgevolgen van het artikel werden dus beide steeds breder uitgelegd. Het verband daartussen is logisch; als men ervan uitgaat dat het artikel ook van toepassing is op andere gevallen van overgang dan koop, dan ligt het voor de hand om voor die gevallen niet aan te sluiten bij een vermoeden over de inhoud van een koopovereenkomst. Vooral bij rechtsovergang als gevolg van subrogatie zou (het toepassen van) een dergelijke bepaling onzinnig zijn.
728. Meijers heeft bij het ontwerpen van het huidige art. 6:142 BW de opvatting van de hand gewezen dat er nog aanvullende handelingen vereist zouden zijn om nevenrechten op de verkrijger van een vordering te doen overgaan.6 Bij het bestuderen van het ontwerp voor dit artikel en de wijzigingen die het artikel in het wetgevingsproces heeft doorgemaakt, vallen verder de volgende drie dingen op.
729. Ten eerste wordt duidelijk dat de samenloop van art. 3:82 BW en art. 6:142 BW min of meer een toevalligheid is geweest.7 Het huidige art. 3:82 BW was van origine alleen van toepassing bij overdracht (en dus niet bij andere wijzen van overgang) van het hoofdrecht van een afhankelijk recht (zie randnummer 558).8 Art. 6:142 BW, dat van meet af aan al van toepassing was op alle soorten van overgang, was bedoeld om voor afhankelijke zekerheidsrechten buiten kijf te stellen dat ook in andere gevallen van overgang dan overdracht, het afhankelijke zekerheidsrecht de gesecureerde vordering volgde.9 Toen art. 3:82 BW werd aangepast om ook van toepassing te zijn op andere vormen van overgang, werd art. 6:142 BW gehandhaafd, omdat de afhankelijke rechten en nevenrechten die door de artikelen worden bestreken, elkaar niet volledig overlappen.10 Van een diepere betekenis die aan de plaatsing van beide artikelen zou moeten worden ontleend, is geen sprake. Zo mag mijns inziens aan het opnemen van de regeling voor nevenrechten in boek 6 niet de gevolgtrekking worden verbonden dat de automatische overgang van nevenrechten (die al dan niet tevens afhankelijke rechten zijn) van regelend recht is (zie meer uitgebreid paragraaf 16.6).
730. Ten tweede blijkt uit een vergelijking tussen het Ontwerp Meijers en de uiteindelijke tekst van art. 6:142 BW dat Meijers een veel beperktere definitie van het begrip ‘nevenrecht’ hanteerde. Zo luidde het ontwerpartikel van zijn hand:
“1.Bij overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser verkrijgt deze, behoudens het in artikel 8, eerste lid bepaalde, tevens de rechten van pand en hypotheek, de rechten uit borgtocht en andere aan de vordering verbonden nevenrechten, alsmede de voorrechten.
2.Bij overgang onder bijzondere titel van een vordering verkrijgt de nieuwe schuldeiser het recht op bedongen rente of boete, behalve voor zover de rente achterstallig of de boete reeds verbeurd was op het tijdstip van de overgang. In geval van subrogatie verkrijgt hij het recht op bedongen rente slechts voor zover de rente betrekking heeft op het tijdvak na de overgang.”11
731. Uit de tekst van het ontwerpartikel blijkt dat Meijers onder de nevenrechten slechts begreep de rechten van pand en hypotheek, de rechten uit borgtocht en andere, niet nader omschreven nevenrechten. Uitdrukkelijk uitgezonderd van deze definitie zijn de voorrechten, die buiten de omschrijving van de nevenrechten in lid 1 worden gehouden. Dit laatste geldt ook voor de rechten op bedongen rente, boete of op een dwangsom uit lid 2. De wetgever heeft in een later stadium gemeend al deze rechten toch onder de noemer ‘nevenrechten’ te moeten schuiven. Als motivering geeft hij daarvoor dat het daardoor gemakkelijker wordt om naar al deze verschillende rechten terug te verwijzen in andere wetsartikelen.12 Het samenvoegen van alle verschillende rechten die in art. 6:142 BW onder het begrip nevenrechten worden geschaard, is dus niet zozeer een dogmatische keuze geweest, maar een praktische.
732. Ten derde blijkt uit de wens van Meijers om in lid 1 van zijn ontwerpartikel niet alleen de afhankelijke zekerheidsrechten, maar ook de voorrechten te noemen, dat hij dit artikel in overeenstemming wilde brengen met art. 1569 OBW.13 De redactie van dat artikel was een rechtstreekse vertaling van art. 1692 van de Franse Code Civil.14 Dat daarin het voorrecht (privilège) genoemd wordt is logisch, omdat in het Franse recht het pandrecht onder de privileges wordt geschaard.15 In Meijers’ ontwerp was het opnemen van de voorrechten dogmatisch niet zo’n bezwaar; hij onderscheidde ze van de nevenrechten, omdat voorrechten net anders functioneren (zie meer uitgebreid randnummer 507). Door het latere samenvoegen van alle in art. 6:142 BW genoemde rechten onder de noemer ‘nevenrechten’, heeft dat begrip aan onderscheidend vermogen ingeboet.