Verzekering verzekerd?
Einde inhoudsopgave
Verzekering verzekerd? (R&P nr. FR13) 2015/2.7.3.1:2.7.3.1 Inleiding
Verzekering verzekerd? (R&P nr. FR13) 2015/2.7.3.1
2.7.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. N. Lavrijssen, datum 15-01-2015
- Datum
15-01-2015
- Auteur
mr. N. Lavrijssen
- JCDI
JCDI:ADS619868:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verzekeringsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover nader paragraaf 2.5.
Van Leeuwen 1987, p. 11.
Zie hierover nader paragraaf 2.6.1.
Van Boven & Vos 1972, p. 19.
Van Leeuwen 1987, p. 11.
Gart e.a. 1994, p. 287.
Zie hierover nader paragraaf 2.6.1.
Vanwege de aard van de beleggingen mag verwacht worden dat levensverzekeraars meer dan schadeverzekeraars gebruik maken van financiële derivaten. Bakker e.a. 2000, p. 9.
Zie hierover nader paragraaf 2.6.1.
Art. 122 lid 1 Besluit prudentiële regels Wft.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast verzekeringsrisico’s loopt een verzekeraar beleggingsrisico’s. Zoals gezegd in paragraaf 2.5.2 moeten de technische voorzieningen – de reserveringen ten behoeve van verzekerden1 – van een verzekeraar worden gedekt door waarden, onder andere bestaande uit beleggingen. Aan beleggingen kleven risico’s omdat de waarden van de beleggingen in de loop der tijd kunnen fluctueren.
De omvang van het belegd vermogen van het schadeverzekeringsbedrijf is – vergeleken met het levensverzekeringsbedrijf – betrekkelijk klein.2 Bij het levensverzekeringsbedrijf worden de geïnde premies veelal belegd vanwege het kapitaalopbouwsysteem dat wordt gehanteerd. De geïnde premies bij het schadeverzekeringsbedrijf worden onmiddellijk voor de uitkeringen bij schadegevallen gebruikt.3 De premiereserve van een schadeverzekeraar wordt gebruikt om de schades als gevolg van verzekerde gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan uit te kunnen keren in afwachting van de nog te innen nieuwe premies.4 Als er al belegd wordt door het schadeverzekeringsbedrijf, gaat het veelal om beleggingen van het eigen vermogen.5 Hier komt bij dat sterftecijfers meer voorspelbaar zijn dan cijfers met betrekking tot bijvoorbeeld aansprakelijkheidsclaims. Daardoor kan een levensverzekeraar de voor de uitkeringen benodigde reserve redelijk nauwkeurig vaststellen. De extra reserve die – buiten de benodigde reserve om – resteert, kan worden belegd door de verzekeraar. Voor andere verzekeraars dan levensverzekeraars is het erg moeilijk vast te stellen of zij een extra reserve hebben, en zo ja, hoe groot deze daadwerkelijk is. Het zijn daarom vooral levensverzekeraars die op grote schaal beleggen. Het beleggingsrisico van levensverzekeraars is daarmee groter dan dat van schadeverzekeraars.6
Naast de omvang van het belegd vermogen bestaat er ook een verschil ten aanzien van de soorten beleggingen. Schadeverzekeraars beleggen minder in onroerend goed en hypotheken dan levensverzekeraars, omdat zij een groot deel van hun beleggingen vanwege het omslagstelsel7 snel liquide moeten kunnen maken.8 Dit is lastig bij beleggingen in onroerend goed en hypotheken, omdat het hier om langlopende verplichtingen gaat. Deze langlopende verplichtingen passen juist goed bij het kapitaalopbouwstelsel9 van levensverzekeraars. Hiermee wordt voldaan aan de matching-eis, welke inhoudt dat de aard van de waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen in overeenstemming moet zijn met de aard van de aangegane verplichtingen.10
Het beleggingsrisico kan worden onderverdeeld in drie soorten risico’s: het marktrisico (paragraaf 2.7.3.2), het kredietrisico (paragraaf 2.7.3.3) en het liquiditeitsrisico (paragraaf 2.7.3.4).