Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/4.2.2
4.2.2 Loon
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583359:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ktr. Groningen 24 november 2011, ECLI:NL:RBGRO:2011:BU9610, tevens JAR 2012/23, r.o. 4.4.
HR 18 december 1953, ECLI:NL:HR:1953:219, tevens NJ 1954, 242 m.nt. Ph.A.N. Houwing (Zaal/Gossink). Een en ander is in 2001 nog eens door de Hoge Raad bevestigd, zie HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3681, zie tevens NJ 2001, 635, zie r.o. 3 bij ‘Voorwaardelijk onderdeel 5’. Dit uitgangspunt sluit overigens ook aan bij de oorspronkelijke bedoelingen van de wetgever, zie: paragraaf 3.2.2.1.
Voorts kunnen ingevolge art. 7:639 lid 2 BW ook zogeheten ‘vakantiebonnen’ als loon dienen, een en ander ter vervanging van de verplichting van de werkgever om gedurende de vakantie het loon door te betalen.Dat is echter alleen mogelijk wanneer dit bij collectieve arbeidsovereenkomst is bepaald.
Een en ander geldt meer specifiek wanneer niet is voldaan aan het bepaalde in art. 7:617 BW en art. 7:620 BW. In het laatstgenoemde artikel zijn regels gesteld over hetgeen als wettig betaalmiddel kan gelden.
Zie over het element loon uitgebreid: Van Slooten 1999.
HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746, r.o. 3.3.2 (X/Gemeente Amsterdam), onderstreping SS.
Conclusie A-G De Bock 17 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:698, onder 12.42. Uit de wetsgeschiedenis waar in deze passage naar verwezen wordt, komt naar voren dat niet is uit te sluiten dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Van een arbeidsovereenkomst is enkel geen sprake ‘zolang voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in het eerste juncto vierde lid van de voorgestelde artikelen 10a van de WWB en 38 van de IOAW’ (de WWB is de voorloper van de Participatiewet). Hieruit volgt dat als niet (langer) is voldaan aan de voorwaarden van art. 10a Participatiewet, bijvoorbeeld doordat geen sprake is van additionele werkzaamheden, het verrichten van werkzaamheden op een participatieplaats wel degelijk kan leiden tot een arbeidsovereenkomst.
Artikel 7:610 BW vereist voorts dat aan de werknemer loon wordt betaald. Indien geen tegenprestatie is bedongen voor de te verrichten arbeid, dan kan reeds om die reden geen sprake zijn van een arbeidsovereenkomst.1 Het BW bevat geen definitie van het begrip loon: dit begrip heeft in de rechtspraak nader vorm gekregen. In het arrest Zaal/Gossink uit 1953 heeft de Hoge Raad het begrip ‘loon’ gedefinieerd als de ‘vergoeding door den werkgever aan den werknemer verschuldigd ter zake van den bedongen arbeid.’2 Het feit dat het loon door de werkgever verschuldigd moet zijn, brengt bijvoorbeeld mee dat fooien niet onder het civielrechtelijke loonbegrip vallen: het loon dient immers door de werkgever aan de werknemer verschuldigd te zijn. Hoewel het BW geen definitie van het begrip ‘loon’ bevat, bevat het BW wel nadere regels over de vorm waarin het loon moet worden voldaan. Zo bepaalt artikel 7:617 BW dat het loon uitsluitend mag bestaan uit geld, zaken geschikt voor persoonlijk gebruik, het gebruik van een woning, diensten en effecten.3 Wordt het loon niet op toegestane wijze voldaan, dan is ingevolge artikel 7:621 BW geen sprake van een bevrijdende betaling.4 In veruit de meeste gevallen zal sprake zijn van loon in de vorm van geld. Hoewel artikel 7:617 BW lid 1 sub a BW het begrip ‘geld’ niet nader specificeert, valt niet iedere geldbetaling onder het civielrechtelijke loonbegrip. Wanneer de wijze van uitbetaling te ver afwijkt van hetgeen gebruikelijk is in het kader van een arbeidsovereenkomst, dan geldt deze tegenprestatie niet als loon in de zin van het BW.5
Het element loon kwam recentelijk aan bod in het eerder aangehaalde arrest X/Gemeente Amsterdam uit 2020. De IOAW-gerechtigde verrichte ‘onbeloonde additionele werkzaamheden’ als bedoeld in artikel 10a van de Participatiewet, met behoud van haar uitkering. Daarnaast ontving zij (twee maal) een zogenoemde ‘stimuleringspremie’ (van € 231,20 en € 233,90), omdat zij voldoende had meegewerkt aan het participatietraject. In cassatie klaagde de uitkeringsgerechtigde onder meer dat het hof ten onrechte zou hebben geoordeeld dat deze stimuleringspremies niet konden worden aangemerkt als loon in de zin van artikel 7:610 BW. Dit cassatiemiddel kon naar het oordeel van de Hoge Raad niet slagen: uit de wetsgeschiedenis van de Participatiewet volgt dat de stimuleringspremie bedoeld is als beloning voor de inspanningen die uitkeringsgerechtigden plegen om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten, en dus niet als beloning voor verrichte arbeid. De Hoge Raad overweegt vervolgens:
‘Gelet op het doel van de stimuleringspremie in het algemeen en bij gebreke van omstandigheden die erop wijzen dat in dit geval de stimuleringspremie aan [betrokkene] is betaald als beloning voor haar werkzaamheden, geeft het oordeel van het hof dat de stimuleringspremie die [betrokkene] heeft ontvangen, niet is te beschouwen als loon in de zin van art. 7:610 lid 1 BW, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.’6
Interessant aan deze rechtsoverweging is de (onderstreepte) zinsnede waarin wordt verwezen naar ‘omstandigheden die erop wijzen dat in dit geval de stimuleringspremie aan [betrokkene] is betaald als beloning voor haar werkzaamheden’. Daarmee lijkt de Hoge Raad ruimte te laten voor een andersluidend oordeel ten aanzien van de aard van de stimuleringspremie. A-G De Bock merkt hierover op:
‘Als dat anders zou zijn, zou immers per definitie geen sprake kunnen zijn van een arbeidsovereenkomst indien werkzaamheden worden verricht op een (vermeende) participatieplaats. Dat zou in strijd zijn met de herhaalde uitlatingen in de wetsgeschiedenis (zie ook onder 11.22-11.23), misbruik in de hand kunnen werken en afdoen aan de rechtsbescherming van uitkeringsgerechtigden.’7
Onduidelijk is echter welke omstandigheden in dit verband dermate zwaarwegend zouden zijn dat – ondanks dat deze stimuleringspremie niet bedoeld is als beloning voor de verrichte arbeid – alsnog sprake zou kunnen zijn van loon in de zin van artikel 7:610 BW.