Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.2.7
6.2.7 Aangiftevergrijpboete aanslagbelastingen (art. 67d AWR)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940487:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 6.2.2.
Deze vereisten zijn nadrukkelijk cumulatief, zie HR 30 september 2022, V-N 2022/42.17, r.o. 2.2, HR 24 juni 2016, V-N 2016/34.8, BNB 2016/192 en HR 14 april 2017, V-N 2017/20.13, BNB 2017/138. Een niet-verzonden uitnodiging kan dus niet worden gerepareerd door een wél verzonden aanmaning (zie hierover nader paragraaf 9.3.3.2.1).
HR 15 december 2006, V-N 2006/65.5, BNB 2007/112, NTFR 2006/1781, HR 11 oktober 2019, V-N 2019/49.23, r.o. 2.4.1. De aanmaning moet op het adres van de belastingplichtige zijn ontvangen of aangeboden of moet de belastingplichtige anderszins hebben bereikt, tenzij het niet-ontvangen aan de belastingplichtige is toe te rekenen. Vgl. ook (inzake de bekendmaking van een aanslagbiljet) HR 4 februari 2022, V-N 2022/8.14.
Hoewel art. 9 lid 3 AWR niet met zoveel woorden in de delictsomschrijving van art. 67d AWR is genoemd, gelden dezelfde vereisten als ten aanzien van de aangifteverzuimboete van art. 67a AWR, zie HR 30 september 2022, V-N 2022/42.17, r.o. 2.2. Uit HR 25 oktober 2013, V-N 2013/53.4, BNB 2013/252 was al duidelijk dat in ieder geval de uitnodigingseis gold. Zie voorts paragraaf 9.3.3.2.1.
Zie paragraaf 6.2.2.
Voor tijdvakken en tijdstippen vanaf 1 januari 2020 is ook het doen van een ‘spontane’ onjuiste of onvolledige aangifte beboetbaar (zie art. 9 lid 4 AWR, ingevoerd bij de Wet Overige Fiscale Maatregelen 2020). Vóór 2020 was de communis opinio dat het opleggen van een vergrijpboete niet mogelijk was als aan de onjuiste of onvolledige aangifte geen uitnodiging tot het doen van aangifte vooraf was gegaan. Vgl. HR 25 oktober 2013, V-N 2013/53.4, BNB 2013/252 en (in het kader van de sanctie van de omkering van de bewijslast) Hof Arnhem-Leeuwarden 20-02-2018, NTFR 2018/610, r.o. 4.3 en Rb Zeeland-West-Brabant 30 juni 2016, V-N 2016/66.5, r.o. 4.1. De wetgever heeft uitdrukkelijk beoogd dat de aangiftevergrijpboete bij aanslagbelastingen in zulke gevallen wél kan worden opgelegd (zie Kamerstukken II 2019/2020, 35 303, nr. 3, p. 25 en 60).
Zie paragraaf 6.2.2 hiervoor.
Bestanddelen
Deze vergrijpboete kan worden opgelegd bij de vaststelling van de definitieve aanslag. De aangiftevergrijpboete bij aanslagbelastingen kan zowel worden opgelegd wegens tijdigheidsverzuimen (het niet doen van aangifte) als wegens inhoudelijke fouten (als de aangifte onjuist of onvolledig is). Dit onderscheid heeft uiteraard gevolgen voor de te bewijzen elementen.
Als tijdigheidsverzuim is alleen het in het geheel niet doen van aangifte beboetbaar. Het niet tijdig (buiten de gestelde termijn) doen van de aangifte kan dus niet worden beboet met deze vergrijpboete. Net als bij de aangifteverzuimboete bij aanslagbelastingen1 kan er pas sprake zijn van een niet gedane aangifte wanneer:
er een uitnodiging tot het doen van aangifte is gedaan;
en de reguliere termijn van ten minste een maand na die uitnodiging is verstreken
en – indien die termijn is verlengd (uitstel is verleend) –
de verlengde termijn is verstreken,
ofwel
er niet (meer) aan de eventuele voorwaarden voor die verlenging is of wordt voldaan;
en2 er een aanmaning is verzonden na het verstrijken van de reguliere of verlengde termijn, waarin een nieuwe (tweede) termijn wordt gesteld voor het alsnog doen van aangifte;
en die aanmaning de belastingplichtige ook heeft bereikt;3
en ook de tweede termijn die in de aanmaning is gesteld, is verstreken.4
Er zijn dan twee mogelijkheden:
óf de aangifte is na de tweede termijn helemaal niet gedaan (waaronder ook de gevallen zijn te begrijpen waarin er een aangifte is gedaan die niet voldoet aan de eisen van art. 8 AWR5),
óf de aangifte is wél gedaan, maar pas na het verstrijken van de tweede termijn. Omdat het te laat doen van de aangifte als zodanig niet beboetbaar is, zal in dat geval moeten worden bewezen dat de aangifte ten tijde van het opleggen van de boete nog steeds niet was gedaan.
Zoals gezegd, kan de aangiftevergrijpboete ook worden opgelegd bij inhoudelijke fouten in de aangifte. Van een dergelijk vergrijp is sprake wanneer:
de aangifte onjuist of onvolledig is.6
Net als bij de vergrijpboete van art. 67cc AWR, is in het geval van de vergrijpboete van art. 67d AWR alleen de schuldgradatie opzet in de delictsomschrijving opgenomen. Dat betekent dat ten slotte ook moet worden bewezen dat
de aangifte opzettelijk niet, onjuist of onvolledig is gedaan.
Als het niet doen van de aangifte of de onjuistheid of onvolledigheid in de aangifte aan grove schuld is te wijten, kan de vergrijpboete van art. 67d AWR niet worden opgelegd.
Opmerkingen
Ten aanzien van het tijdigheidsverzuim (het niet doen van aangifte) gelden de eerder gemaakte opmerkingen inzake de aangifteverzuimboete bij aanslagbelastingen naar mijn mening – mutatis mutandis – evenzeer voor de aangiftevergrijpboete van art. 67d AWR.7