Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.6.1
6.6.6.1 Verzoek tot verwijzing; art. 15 lid 2 Vo-BIIbis
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434211:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 15 lid 1 van het voorstel Vo-BlIbis, COM(2002) 222 def.
Vgl. Amerikaanse Uniform Child-Custody Jurisdiction and Enforcement Act (1997), Section 207(a): 'The issue of inconvenient forum may be raised upon the court's own motion, request of another court, or motion of a party.'
Deze mogelijkheid ontbreekt in art. 8 HMbV 2000 en lijkt ook te ontbreken in art. 8 en 9 HKbV 1996.
Overigens geldt dat wanneer partijen het eens zijn over de bevoegdheid van een bepaald gerecht, zij ook ervoor kunnen kiezen om de rechtsmacht van dit gerecht te aanvaarden (art. 12 Vo-BlIbis).
Vgl. Th.M. de Boer, FJR 2005, p. 227.
Nader over deze uitspraak, par. 6.6.12.
Zie ook art. 8 lid 1 HKbV 1996; art. 8 lid 1 HMbV 2000.
Hoewel art. 9 lid 1, r streepje HKbV 1996 alleen spreekt over de gewone verblijfplaats van het kind, kan het verzoek tot verwijzing ook worden gericht tot de rechter van de verdragsstaat waar het kind zijn werkelijke verblijfplaats heeft (Toel. Rapport Lagarde, HKbV 1996, nr. 58).
In Hof van Beroep te Gent 5 september 2005, RW 2005, p. 432-434 (Baby Donna), verzocht de Belgische jeugdrechter te Oudenaarde bij schrijven d.d. 27 juni 2005 de kinderrechter te Utrecht om de zaak op grond van art. 15 lid 2 sub c Vo-BlIbis verder te mogen behandelen: 'Als jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijke arrondissement Oudenaarde (...) werd ik door de Procureur des Konings gevat van een vordering tot het gebeurlijk nemen van een voorlopige maatregel met betrekking tot [Donna, Fl]. Gelet evenwel op het feit dat de zaak chronologisch gezien eerst in Nederland aanhangig werd gemaakt mag ik, in acht genomen art. 19 lid 2 van de nieuwe verordening Brussel II, de zaak slechts verder behandelen als U tot de conclusie komt niet bevoegd te zijn (...) of beslist de zaak op grond van art. 15 van voornoemde verordening op grond van het belang van het kind (...) naar Ons te verwijzen. Voor zoveel als nodig — vermits U de mogelijkheid hebt zelf het initiatief te nemen tot verwijzing — moge ik u dan ook verzoeken te overwegen de zaak — voorzover in het belang van het kind — naar Ons te verwijzen, de Procureur des Konings alhier uitdrukkelijk instemmend gezien de door hem aan Ons gerichte vordering.'
Aldus ook Personen- en familierecht, Th.M. de Boer, Titel 14 Kinderbescherming en gezagsvoorziening in het ipr, A. Brussel II-bis, art. 15, aant. 5.7.1.
In de eerste plaats rijst de vraag welke personen en gerechten op basis van art. 15 Vo-BIIbis een forum non conveniens-verwijzing kunnen initiëren. Alleen personen of gerechten van lidstaten die op enige wijze bij de zaak betrokken zijn, hebben daartoe de bevoegdheid. In het verordeningsvoorstel werd nog bepaald dat een verwijzing slechts kon plaatsvinden op verzoek van een persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt. Verwijzing op initiatief van het ten gronde bevoegde gerecht en op verzoek van het gerecht in een andere lidstaat ontbraken daarin.1 Thans bepaalt art. 15 lid 2 Vo-BIIbis dat een verwijzing alleen mogelijk is:2
op verzoek van een van de partijen.3 Hoewel de verordening spreekt van `op verzoek van een van de partijen', zal bedoeld zijn op verzoek van ten minste een van de partijen. Partijen kunnen namelijk ook een gemeenschappelijk verzoek tot verwijzing instellen.4 Onduidelijk is wat nu precies met 'de partijen' wordt bedoeld. Betreft het alleen de ouders van het kind of ook andere 'personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen' zoals bijvoorbeeld een gezinsvoogd (vgl. art. 12 lid 1 sub b)? Of gaat het om 'alle partijen bij de procedure' waarbij dan ook kan worden gedacht aan andere belanghebbenden zoals de Raad voor de Kinderbescherming (vgl. art. 12 lid 3 sub b)?5
In Hof ' s-Gravenhage 22 februari 2006, NIPR 2006, 103, was het de vrouw die het hof verzocht om de Cour d'Appel te Limoges (Frankrijk) te verzoeken de behandeling van het hoger beroep in Frankrijk tegen een beslissing van de Tribunal de Grande Instance te Guéret (Frankrijk) aan het Hof ' s-Gravenhage over te dragen conform het bepaalde in art. 15 lid 1 jo. lid 2 sub c Vo-BILIbis. Het Hof ' s-Gravenhage was evenwel van mening dat het 'juister zou zijn geweest indien zij dit verzoek rechtstreeks tot de Cour d'Appel te Limoges zou hebben gericht in het kader van de aldaar lopende procedure.' 6
op initiatief van het gerecht dat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen (ambtshalve),7 of
op verzoek van het gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft. Strikt genomen behoeft het onder (c) vermelde gerecht niet het ontvangende gerecht te zijn waarnaar de zaak verwezen moet worden. Dat is anders in art. 9 lid 1 HKbV 1996; het gerecht waarmee het kind een bijzondere band heeft, kan een verzoek richten tot de bevoegde autoriteiten van de verdragsstaat waar het kind zijn gewone of werkelijke8 verblijfplaats heeft, opdat het eerstbedoelde gerecht gemachtigd wordt om bevoegdheid uit te oefenen. Art. 15 lid 2 sub c Vo-BILIbis vereist wel dat het kind een bijzondere band met de forumstaat heeft. Een voorbeeld. De Nederlandse rechter is bevoegd op basis van de gewone verblijfplaats van een Belgisch kind hier te lande (art. 8 lid 1). De in België wonende vader van het kind adieert de Belgische rechter en verzoekt om een regeling inzake het gezag. De Belgische rechter is als laatst aangezochte rechter onbevoegd (art. 19 lid 2), maar kan zijn Nederlandse ambtsgenoot wel verzoeken om de zaak verder in behandeling te mogen nemen.9
Indien een forum non conveniens-verwijzing wordt geïnitieerd door een gerecht — hetzij op initiatief van het gerecht dat ten gronde bevoegd is (sub b) hetzij op verzoek van het gerecht in een andere lidstaat (sub c) — geldt een nader vereiste; de verwijzing dient door ten minste een van de bij de procedure betrokken partijen te zijn aanvaard (art. 15 lid 2, r alinea). De instemming van een der partijen moet uitdrukkelijk geschieden, mijns inziens nog voordat het verwijzingsverzoek is ingesteld bij het ontvangende gerecht.10Is dit niet een al te formalistische uitleg? Moet de instemming ook niet geldig worden geacht als deze pas in een later stadium wordt verkregen? Ik denk het niet; het belang van het kind vereist dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt over de instemming. Bovendien voorkomt een formalistische uitleg dat vragen rijzen over tot hoe lang in de verwijzingsprocedure de instemming nog verkregen kan worden. Het Hof van Beroep te Gent kiest in de uitspraak van 5 september 2005, RW 2005, p. 432-434(Baby Donna), ook voor deze benadering. Het hof verklaarde de verwijzing van de zaak door de Rb. Utrecht naar de jeugdrechtbank te Oudenaarde (België) ongeldig, omdat geen toestemming van één van de in de Nederlandse procedure betrokken partijen was verkregen. De toestemming van de Raad voor de Kinderbescherming werd niet geldig bevonden, omdat deze dateerde van na de verwijzing door de Nederlandse rechter.
De opsomming in art. 15 lid 2 Vo-BI:Ibis is limitatief. Andere personen, zoals bijvoorbeeld een naast familielid van het kind die geen partij is in de procedure, of andere gerechten kunnen geen verzoek tot verwijzing instellen. In Nederland zal ieder verwijzingsinitiatief in eerste instantie gericht moeten worden tot de 'liaison judge'. Dit geldt zowel voor het verzoek vanuit Nederland om de zaak te verwijzen naar een buitenlands gerecht als voor het verzoek vanuit het buitenland om de zaak te verwijzen naar een Nederlands gerecht. Na ontvangst van het verzoek brengt de 'liaison judge' deze onder de aandacht van het ontvangende gerecht. De rechter die het verzoek heeft overgedragen, stelt partijen hiervan in kennis (art. 24 lid 6, r zin Uitvoeringswet internationale kinderbescherming).