Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.5.7
VI.5.7 Bijwonen overlegvergadering ex art. 24 lid 2 WOR
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242822:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
De commissarissen kunnen een of meer vertegenwoordigers uit hun midden aanwijzen.
Voor de volledigheid wijs ik erop dat de niet-uitvoerende bestuurders ook niet namens de ‘ondernemer’ bij het overleg aanwezig behoeven zijn. Art. 23 lid 4 WOR schrijft voor dat het overleg namens de ‘ondernemer’ wordt gevoerd door een ‘bestuurder’ in de zin van de WOR. Ik breng in herinnering dat de niet-uitvoerende bestuurders niet als ‘bestuurder’ in de zin van de WOR kwalificeren. Zie § IV.5.4.
Onder anderen Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/628; Holtzer 2014, p. 275; Van Mierlo 2013, p. 162; Rood/Verburg 2013, p. 265; en Zaal 2014, p. 24.
Rood/Verburg 2013, p. 265.
Rood/Verburg 2013, p. 265.
Aldus ook Van Mierlo 2013, p. 162-163.
Voorts behoren de commissarissen de overlegvergaderingen van de ondernemer met de ondernemingsraad op grond van art. 24 lid 2 WOR bij te wonen.1 Rust deze verplichting eveneens op de niet-uitvoerende bestuurders? Art. 24 lid 2 WOR verwijst expliciet naar ‘de commissarissen van de vennootschap’. Hieruit zou afgeleid kunnen worden dat niet-uitvoerende bestuurders niet aanwezig hoeven te zijn bij deze vergaderingen.2
Toch trekt het gros van de auteurs deze conclusie niet. Het in de literatuur breed gedragen standpunt luidt dat de verplichting om de overlegvergaderingen bij te wonen tevens op de niet-uitvoerende bestuurders rust.3 Verburg wijst erop dat niet-uitvoerende bestuurders in het algemeen meer betrokken zijn en een uitgebreider takenpakket hebben dan commissarissen. Het zou volgens hem ongerijmd zijn dat art. 24 lid 2 WOR zo moet worden uitgelegd dat de niet-uitvoerende bestuurders te dien aanzien juist minder betrokken zijn en een minder omvattende taakstelling hebben.4 Een andere reden voor zijn standpunt ontleent Verburg aan art. 2:164a/274a BW. Voor wat betreft de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap stelt dit artikel de positie van de niet-uitvoerende bestuurders gelijk aan die van commissarissen. Daarmee strookt niet dat de niet-uitvoerende bestuurders in het kader van de WOR een andere rol hebben dan commissarissen.5 Het betoog van Verburg snijdt mijns inziens hout. Een wetswijziging zou evenwel niet misstaan. Ik stel voor in het tweede lid van art. 24 WOR te verduidelijken dat ook de niet-uitvoerende bestuurders de overlegvergaderingen behoren bij te wonen.
Het verdient opmerking dat de commissarissen niet altijd present behoeven te zijn bij de overlegvergaderingen. Wordt ten minste de helft van de aandelen van de vennootschap middelijk of onmiddellijk voor eigen rekening gehouden door een andere vennootschap, dan rust de verplichting van art. 24 lid 2 WOR niet op de ‘commissarissen’ van die eerste vennootschap, maar op de ‘bestuurders’ van die laatste vennootschap. Daaronder vallen mijns inziens ook de niet-uitvoerende bestuurders. Zij hebben tenslotte de hoedanigheid van bestuurder in de zin van Boek 2 BW.6
Ik concludeer dat de overlegvergaderingen steeds door de niet-uitvoerende bestuurders moeten worden bijgewoond. Althans, dat is het uitgangspunt. Toegestaan is dat de (niet-uitvoerende) bestuurders uit hun midden een of meer vertegenwoordigers aanwijzen.7