Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.6.6:II.5.6.6 Tussenconclusie
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.6.6
II.5.6.6 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624155:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het testamentaire bewind is een verband op goederen en kent daarmee primair een goederenrechtelijke aard. Ten aanzien van het onderwerp van het testamentaire bewind, te weten de goederen waarop het bewind rust, geldt dan ook een strikt bepaaldheidsvereiste (vgl. paragraaf 4.4). Erflater zal in zijn uiterste wil dienen te bepalen welke goederen onder bewind worden gesteld, zodat kan worden vastgesteld wie de rechthebbende is en welke strekking het bewind heeft. Aan de hand van de strekking van het bewind kunnen vervolgens de rechtsgevolgen worden vastgesteld. De wet kent evenwel een aantal mogelijkheden voor erflater om van de wettelijke bepalingen af te wijken en te testeren naar eigen inzicht. Voor wat de goederen betreft waarop het bewind rust, wordt deze ruimte geboden door art. 4:153 lid 2 BW en art. 4:154 BW. Deze bepalingen raken evenwel de kern van het bewind, namelijk de onder bewind gestelde goederen. Mijns inziens is het dan ook niet mogelijk om andermans subjectief oordeel ten aanzien van de inhoud van deze bepalingen een rol te laten spelen. Dit botst naar mijn mening met de goederenrechtelijke aard van het bewind (paragraaf 5.6.5).
Ten aanzien van de persoon die als bewindvoerder optreedt, kan erflater in zijn uiterste wil voorzien in een eigen regeling (art. 4:157 lid 1 BW). Deze regeling kan inhouden dat erflater aan een derde de bevoegdheid verleent om een (opvolgend) bewindvoerder te benoemen. Hetgeen overigens ook niet verbaast. Het testamentaire bewind is immers een verband op goederen, onafhankelijk van de persoon die als bewindvoerder optreedt (paragraaf 5.6.4.1). Ten aanzien van de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder wordt door de wet aan erflater eveneens een grote mate van vrijheid gegeven om de inhoud van deze taken en bevoegdheden nader te bepalen. Hierbij is te denken aan art. 4:158 BW (taakverdeling bij meerdere bewindvoerders en regeling voor geschillen tussen bewindvoerders), art. 4:160 lid 2 BW (inschrijven bewind), art. 4:161 leden 1 en 2 BW (rekening en verantwoording), art. 4:162 BW (uitkering netto-vruchten) en art. 4:171 BW (nader geregelde bevoegdheden en verplichtingen). Deze bepalingen bieden mijns inziens eveneens ruimte voor andermans subjectief oordeel. Met name art. 4:171 BW is in het kader van het delegatievraagstuk interessant. Op grond van deze bepaling kan erflater binnen de kaders van afdeling 4.5.7 BW de bevoegdheden van de bewindvoerder aanzienlijk verruimen. Hetgeen tevens kan inhouden dat hij het aan de bewindvoerder overlaat om naar diens eigen oordeel zijn taken uit te oefenen (paragraaf 5.6.4.2). Een voorbeeld hiervan vormt HR 18 oktober 2013, NJ 2014/214, waarin de bewindvoerder de bevoegdheid was toegekend om te bepalen in hoeverre de inkomsten uit het onder bewind gestelde vermogen aan de rechthebbende ter beschikking worden gesteld.