Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/4.9.2
4.9.2 Legitimiteit besluitvorming
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192638:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Tollenaar 2016, p. 107; Verstijlen 2008, p. 137-138. Vgl. ook In re Butler, 42 B.R. 777, 782 (Bankr. E.D. Ark. 1984), waarin de rechter overwoog dat het Amerikaanse criterium voor klassenindeling “ensures that classes of claims will have similar interests and that votes cast by the class will reflect joint interests of the class.” In dezelfde zin: Homer Drake & Strickland 2019, §12.28. “At its heart, classification seeks to place similar interests together in order to obtain a representative vote.” Zie ook Baird 2014, p. 250: “If those whose claims are in the same class have differing interests, one cannot be sure that the majority will in fact make a decision that is in the best interests of the group”. Vgl. ook In Re Greystone III Joint Venture, 995 F.2d 1274 (5th Cir. 1995), p. 1277: “Classification of claims thus affects the integrity of the voting process, for, if claims could be arbitrarily placed in separate classes, it would almost always be possible for the debtor to manipulate “acceptance” by artful classification.”
Vgl. Van Galen 2015, p. 154; INSOLAD 2012b, §105.
167. Bij een klassenindeling worden partijen met een vergelijkbare positie samen in één klasse geplaatst, terwijl partijen die een wezenlijk andere positie hebben in een andere klasse terechtkomen. Indien bij een stemming de vereiste meerderheid wordt gehaald binnen een bepaalde klasse kan men aannemen dat het akkoordvoorstel voldoende draagvlak heeft binnen deze groep. Een juiste klassenindeling zorgt er dus voor dat de besluitvorming legitimiteit kan worden toegekend.1
Wanneer klassen op een juiste manier zijn ingedeeld kan uit de stemuitslag in beginsel worden afgeleid dat het akkoord redelijk is. Indien de meerderheid van een klasse met het akkoordvoorstel kon instemmen is het redelijk ook de minderheid aan het akkoordvoorstel te binden, omdat binnen de klasse slechts partijen met een vergelijkbare positie zijn geplaatst. De belangen van de klassegenoten worden geacht parallel te lopen.2 Daarom kan aangenomen worden dat het akkoordvoorstel ook redelijk is voor de tegenstemmende minderheid.