Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.7
5.7 Afronding en functionele omschrijving
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233733:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Choper 2005, p. 1461: ‘I define ‘political question’ as follows: a substantive ruling by the Justices that a constitutional issue regarding the scope of a particular provision (or some aspects of it) should be authoritatively resolved not by the Supreme Court but rather by one (or both) of the national political branches.’ Vgl. Tushnet 2007, p. 51: ‘For the political question doctrine, the issue, in the Court’s sense, is who gets to decide what the right answer to a substantive constitutional question is.’; Shemtob 2016, p. 1004: ‘Regardless of implementation, […] the political question doctrine stands for a relatively simple concept: certain questions fall outside judicial control and are thus vested entirely in the other branches of government.’ Zie ook Tribe 2000, p. 366-367.
Vgl. Breyer 2016, p. 19: ‘The doctrine says that in certain circumstances, the Constitution gives not to the courts but to the other branches of government the power to decide whether an action violates the Constitution.’
In dit hoofdstuk zijn de contouren van de Amerikaanse political question-doctrine nader bezien. Voor de rechtsvergelijking met Nederland in het vervolg van dit onderzoek is het van belang om, met de bevindingen over de Amerikaanse doctrine in het achterhoofd, op een meer functionele manier te omschrijven wat een political question-doctrine inhoudt.
Op basis van de in dit en in eerdere hoofdstukken besproken rechtspraak van de hoogste en lagere Amerikaanse rechters, alsmede de relevante literatuur, meen ik dat een political question-doctrine kan worden omschreven als een leerstuk of doctrine op grond waarvan de rechter zich onbevoegd verklaart om het voorgelegde geschil inhoudelijk te beslechten, omdat de beslissing over het centrale geschilpunt volgens hem thuishoort bij een van de andere staatsmachten.1 De Amerikaanse federale rechter vindt voor de aanwezigheid van een political question aanwijzingen in (i) het constitutionele recht, in de vorm van een veronderstelde of geïmpliceerde exclusieve grondwettelijke bevoegdheidsopdracht (eerste Baker-factor) of het ontbreken van concrete en bruikbare rechtsnormen om het geschil te beslissen (tweede Baker-factor), (ii) pragmatische redenen in relatie tot het onderwerp van het geschil (de vier overige Baker-factoren), of (iii) een combinatie van beide.2 Vaak wordt in dit verband gesproken over de klassieke respectievelijk pragmatische (‘prudential’) political question-doctrine. Komt de rechter tot het oordeel dat in een voorliggend geschil een political question aanwezig is, en dat het centrale geschilpunt aldus thuishoort bij een van de andere staatsmachten, dan is sprake van een nonjusticiable geschil, oftewel van een geschil dat buiten de functie of bevoegdheid van de rechter valt.
Het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft de doctrine in de afgelopen decennia slechts in drie zaken expliciet toegepast. Zoals in dit hoofdstuk is gebleken, hangt dit niet alleen samen met de terughoudendheid waarmee het Hof de Baker-factoren toepast, maar ook met andere doctrines die moeten worden genomen voordat de Amerikaanse rechter aan een inhoudelijke beoordeling toekomt. De belangrijkste andere horde is standing en houdt in dat eiser een voldoende belang moet hebben bij een beoordeling van het geschil.
Ook met de geringe toepassing van de political question-doctrine door het Amerikaanse Hooggerechtshof is echter nog niet gezegd dat de doctrine niet meer zou bestaan. De recente toepassing van de doctrine door het Hof in Rucho v. Common Cause en de besproken rechtspraak van lagere rechters bevestigen dat de doctrine nog altijd relevant is voor de Amerikaanse rechtspraktijk.