Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.8.2
7.8.2 In beginsel onvoldoende zeggenschap
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS300407:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
De installatie zal een onroerende zaak zijn en derhalve kwalificeren als opstal(werktuig) ex art. 6:174. Zie overigens ook art. 6:175 lid 5, dat in geval van samenloop van art. 6:174 en 175 de aansprakelijkheid voor schade door een gevaarlijke stof kanaliseert naar de ex art. 6:175 aansprakelijke.
Vgl. ook Hof Den Bosch 2 juli 2013, JA 2013/159 (Bierfusten), waarin bierbrouwer Bavaria een pand huurde en deze vervolgens ter beschikking stelde aan ander, zodat deze daarin een cafébedrijf kon exploiteren waar bier van Bavaria werd verkocht. De trap die in het pand naar de kelder leidde, bleek niet deugdelijk met het oog op het vervoer van zware bierfusten. Het aangesproken cafébedrijf werd ex art. 6:174 aansprakelijk geacht (wat mijns inziens de grondslag van art. 6:181 jo. 174 had moeten zijn). Ik acht het niet uitgesloten dat óók Bavaria als bedrijfsmatige ‘gebruiker’ van het pand ex art. 6:181 jo. 174 had te gelden. Zij gebruikte het pand immers eveneens, en wel om bier af te zetten terwijl het schadeveroorzakende gebrek in de opstal hiermee verband hield.
Hof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3429 (Zaalvoetbal).
Hof 22 augustus 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2331 (Tribunetrap).
Vgl. Oldenhuis 2014, p. 54, die het voorbeeld geeft van het helikopterbedrijf dat ex art. 6:170 aansprakelijk blijft voor fouten van de piloot, ook als een professionele fotograaf die de helikopter inhuurde tijdens een rondvlucht aanwijzingen geeft. Let wel, art. 6:173 lid 3 zondert luchtvaartuigen van art. 6:173 uit.
Vgl. Oldenhuis 2014, p. 54, die het voorbeeld geeft van het busbedrijf dat ex art. 6:170 aansprakelijk blijft voor fouten van de chauffeur, ook als de reisvereniging die de bus inclusief chauffeur inhuurde, de route bepaalt.
Vgl. Rb. Oost-Brabant 12 juni 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:CA2718 (Gebrekkige oplegger).
Zie par. 5.4.
Kamerstukken II 1997/98, 25263, 14, p. 6, alsmede HR 23 maart 2012, NJ 2014/414, m.nt. Heerma van Voss (Davelaar/Allspan) en HR 15 december 2017, RvdW 2018/30 (Parochie/X).
Parl. gesch. Boek 6, p. 745-746. Wel gaat het inzake lid 4 van art. 7:658 om bescherming van de hulppersoon tegen bedrijfsmatige risico’s, terwijl art. 6:181 beoogt derden daartegen te beschermen.
Oldenhuis 2014, p. 45, 48; Klaassen 1991, p. 51. Zie omtrent art. 6:170 ook par. 5.3.1.
Een taxichauffeur tankt in het kader van zijn werkzaamheden bij een pompstation langs de snelweg. De chauffeur handelt feitelijk met de tankinstallatie, maar behoort toch niet kwalitatief aansprakelijk te zijn voor daaraan klevende gebreken.1 De tankende chauffeur heeft ondanks zijn feitelijk handelen met de tankinstallatie, immers niet de meeste invloed op de aan de zaak verbonden risico’s. Het is niet de chauffeur maar de pomphouder die in de beste positie verkeert de risico’s te beïnvloeden en schade door gebreken van de tankinstallatie te voorkomen. Zo is de ‘bemoeienis‘ van de chauffeur met de tankinstallatie maar zeer kortdurend, hetgeen reeds een geringe mogelijkheid biedt enige invloed op de veiligheid van de tankinstallatie uit te oefenen. De chauffeur zal voorts niet bevoegd zijn maatregelen met betrekking tot de installatie te treffen. Evenmin zal hij daartoe over de benodigde kennis en kunde beschikken. Indien de tankinstallatie wegens een gebrek schade veroorzaakt, is niet de chauffeur ‘het meest nabij’ dit schadeveroorzakende element, maar de pomphouder. De tankinstallatie bevindt zich op zijn terrein en hij heeft daarmee een bestendige relatie. De installatie is in zijn organisatie ingebed, ten opzichte waarvan de chauffeur als ‘buitenstaander’ heeft te gelden. De pomphouder beschikt (althans behoort te beschikken) over de benodigde deskundigheid en vaardigheden om invloed op de risico’s uit te oefenen, is daartoe ook bevoegd en heeft de werkelijke mogelijkheid maatregelen met betrekking tot de installatie te treffen (inspectie, onderhoud, etcetera), van welke zorg ‘derden’ – waaronder bijvoorbeeld niet alleen omwonenden maar ook de tankende chauffeur – afhankelijk zijn. De chauffeur treedt de organisatie van de pomphouder als het ware als ‘gast’ of ‘buitenstaander’ tegemoet. Tevens moet niet vergeten worden dat de pomphouder haar tankende ‘gasten’ de tankinstallatie weliswaar laat gebruiken, maar de facto zélf degene is die de installatie (feitelijk) bedrijfsmatig gebruikt, namelijk om brandstof te verkopen.2 Verder is van belang dat de pomphouder zelfstandig, zonder tussenkomst van de chauffeur, de macht over het tankstation kan uitoefenen, terwijl de chauffeur zich zal moeten richten naar aanwijzingen en instructies van de pomphouder. Al met al is in geval van schade door een gebrek in de tankinstallatie daarvoor niet de chauffeur, maar de pomphouder ‘hoofd- of eindverantwoordelijke’. Dit voorbeeld van de tankende taxichauffeur maar de niettemin kwalitatief aansprakelijke pomphouder laat zien dat ondanks feitelijk handelen met een roerende zaak door de één op grond van afd. 6.3.2 BW soms toch een ander de ‘verantwoordelijkheid’ voor de desbetreffende zaak behoort te dragen.
In het perspectief van de tankende taxichauffeur passen ook diverse andere gevallen waarin een ‘professional’ weliswaar feitelijk met een zaak handelt, maar deze zich (deels) in het domein van een ander(e organisatie) bevindt. Denk aan de professionele bokser die tijdens een training de fitnessapparatuur van de sportschool gebruikt. Schiet tijdens de training vanwege een gebrek plotseling een onderdeel van een trainingsapparaat weg met schade tot gevolg, dan is niet de bokser, die weliswaar feitelijk met de zaak handelde, maar de sportschoolhouder kwalitatief aansprakelijk ex art. 6:181 jo. 173. Zo is ook het bedrijf dat in een door hem afgehuurde sporthal als ‘ontspanningsactiviteit’ voor zijn werknemers een zaalvoetbaltoernooi organiseert niet ex art. 6:181 jo. 174 kwalitatief aansprakelijk voor gebreken in die opstal, maar de exploitant of eigenaar van de accommodatie.3 Hetzelfde geldt indien een ‘bedrijfsuitje’ bestaat uit het met elkaar bijwonen van een sportevenement in een sporthal, terwijl een tribunetrap daarvan niet deugdelijk blijkt.4 En zo zal ook niet de advocaat, die tijdens de schorsing van een zitting op de gang van het gerechtsgebouw een (verborgen) gebrekkige koffieautomaat gebruikt, ingevolge art. 6:181 jo. 173 met de aansprakelijkheid voor die zaak zijn belast, maar de overheid. Evenmin is de directeur van een bedrijf als passagier van een taxi ex art. 6:181 jo. 173 aansprakelijk voor gebreken in dit motorrijtuig, maar het taxibedrijf.5 Zo blijft ook het busbedrijf aansprakelijk voor gebreken in de bus die zij inclusief chauffeur voor een rondrit ter beschikking stelt aan een reisvereniging.6 Hetzelfde geldt ingeval een sponsor (transportbedrijf) een tractor met oplegger inclusief chauffeur ter beschikking stelt aan een voetbalvereniging, om de ‘traditionele’ rondrit door het dorp mogelijk te maken na het behalen van een kampioenschap.7
Illustratief in dit verband is ook Rb. Maastricht 14 december 2000, ECLI:NL:RBMAA:2000:AB0556 (Val van ladder), waarin werknemer X op locatie bij particulier Y werkzaamheden aan diens dak diende te verrichten. Op zeker moment heeft Y zijn eigen ladder, met de bedoeling om X het afdalen van zijn dak te vergemakkelijken, in uitgeklapte toestand voor gebruik aangeboden. Toen X daarvan in het bijzijn van Y gebruik wilde maken en zijn gewicht op de ladder plaatste, is deze onverwachts ingezakt/ingeklapt met een valpartij van X tot gevolg. Y werd ex art. 6:173 in rechte betrokken, maar deze verweerde zich met de stelling dat niet hij maar ingevolge art. 6:181 (de werkgever van) X is belast met de aansprakelijkheid van art. 6:173. De rechtbank verwierp dit verweer, over- wegende dat de ladder niet door de werkgever aan X ter beschikking was gesteld. Ook was X, gezien zijn functie, niet bevoegd om de ladder tot bedrijfsmiddel van zijn werkgever te maken, en ook mocht Y, gezien de hoedanigheid van X daar niet vanuit gaan. Omdat volgens de rechtbank geen ‘bedrijfsmatige gebruiker’ van de ladder viel aan te wijzen, kwam de vordering tegen Y als bezitter ex art. 6:173 voor toewijzing in aanmerking. Deze uitkomst acht ik goed verdedigbaar. Het ging om een zeer kort en incidenteel feitelijk gebruik dat X in het bijzijn en met behulp van Y op diens terrein van de ladder maakte. In die situatie had bezitter Y, hoewel werknemer X op het moment van het ongeval de feitelijke gebruiker van de ladder was, de meest sprekende band met de zaak.
In de tot nog toe gegeven voorbeelden gaat het telkens om een maar vluchtige ‘bemoeienis’ van een professional met andermans zaak. Hoewel het Loretta- arrest als zodanig er niet aan in de weg staat ook dan een aansprakelijkheid ex art. 6:181 aan te nemen – aan de toepassing van het artikel mag immers niet de eis worden gesteld dat het gebruik duurzaam is –, volgt uit dit arrest niet dat íeder gebruik van een zaak, hoe incidenteel of kortstondig ook, door art. 6:181 wordt bestreken. Adstructie voor deze stelling is te vinden in de hierna te noemen rechtspraak over ‘tijdelijke’ arbeidskrachten die schade veroorzaken (art. 6:170) of lijden (art. 7:658 lid 4). Art. 6:170 kan zoals reeds gezegd immers een inspiratiebron vormen voor de toepassing van art. 6:181,8 terwijl een ratio van art. 6:181 op eenzelfde leest is geschoeid als die van art. 7:658 lid 4. De gedachte achter de laatste bepaling is dat de vrijheid van degene die een bedrijf uitoefent om te kiezen voor het laten verrichten van het werk door werknemers of door anderen, niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht,9 terwijl een idee achter art. 6:181 is dat in geval van schade door bedrijfsmatige activiteiten de rechtspositie van de benadeelde niet mag verschillen, al naar gelang de bedrijfsmatige gebruiker zijn activiteiten verricht met eigen dan wel ‘ingeleende’ hulpzaken.10 Zodoende is ten eerste illustratief Hof Leeuwarden 1 december 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BK5326 (Wegslepen auto), waarin de vader van de exploitant van een autobedrijf laatstgenoemde bij een incidenteel werk behulpzaam was en daarbij een derde schade berokkende. De exploitant werd door de benadeelde onder andere ex art. 6:170 tot schadevergoeding aangesproken. Bij gebreke van een instructiebevoegdheid zijdens de exploitant en een verplichting zijdens de vader bevelen op te volgen, werd geoordeeld dat geen sprake was van de voor een vordering op grond van art. 6:170 benodigde ‘ondergeschiktheid’. In Rb. Leeuwarden 5 maart 2003, JAR 2003/86 (Meelopen binnen bedrijf) ging het om een iemand die enkele dagen in een bedrijf meeliep om te beslissen of zij daar al dan niet in dienst zou treden maar juist in die periode een arbeidsongeval kreeg. De rechtbank achtte lid 4 van art. 7:658 niet toepasselijk vanwege het ontbreken van zeggenschap zijdens het bedrijf vanwege de ‘korte tijd’ en ‘vrijblijvende wijze’ van de relatie met de (potentiële) arbeidskracht. In lijn hiermee ligt Hof Den Bosch 17 maart 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AF6144 (Reparatie), waarin iemand een kar ter reparatie aanbood bij een reparatiebedrijf en daarbij zelf hulp aanbood. De ‘helper’ overkwam daarbij een ongeval, maar ondanks dat hij hetzelfde werk verrichtte als de ‘eigen’ monteurs van het bedrijf leidde dit niet tot toepassing van lid 4 van art. 7:658. Wederom stond het aspect van zeggenschap, in het bijzonder het ontbreken van een gezagsverhouding tussen het bedrijf en de ‘vrijwilliger’ aansprakelijkheid in de weg. De essentie van de drie zojuist genoemde zaken is dat de band tussen het bedrijf en de desbetreffende arbeidskracht te los werd geacht om eerstgenoemde met de aansprakelijkheid van art. 6:170 of art. 7:658 lid 4 te belasten. Door zowel art. 6:170 als art. 7:658 lid 4 wordt dus niet íedere werkzaamheid, ongeacht de duur, bestreken. Dit terwijl óók voor aansprakelijkheid op grond van deze bepalingen een duurzame rechtsbetrekking niet vereist is.11