Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/5.3.3:5.3.3 Inzet van (tactische) instrumenten bij het verhoor
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/5.3.3
5.3.3 Inzet van (tactische) instrumenten bij het verhoor
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast verhoormethoden kunnen ook andere instrumenten worden ingezet om getuigen meer of andersoortige informatie te ontlokken en hun verklaringen te toetsen of kracht bij te zetten. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan het gebruik van tekeningen of poppen bij het verhoor van jeugdige zedenslachtoffers, maar ook bijvoorbeeld aan het verrichten van een line up of zogenaamde Osloconfrontatie waarbij de getuige wordt geconfronteerd met potentiële daders met het oog op een eventuele herkenning. Een dergelijke herkenningstoets kan ook worden ingezet bij voorwerpen. In geval van een positieve identificatie levert dit extra informatie op ten opzichte van de reeds afgelegde verklaring en daarin opgenomen beschrijving. Dit is ook het geval op het moment dat de getuige medewerking verleent aan het maken van een compositietekening, die mogelijk nadere gegevens oplevert omtrent het signalement van de dader. Bij ernstige delicten bestaat de mogelijkheid om ten behoeve van de waarheid een reconstructie te maken om de verklaring van de getuige te toetsen. Dit houdt in dat het voorval – fysiek op de plaats van het delict of virtueel met behulp van een computerprogramma – in scène wordt gezet, waarna wordt gekeken of de verklaring strookt met de fysieke omstandigheden waarin het voorval plaatsvond en met de aangetroffen sporen. In geval van een digitale reconstructie is het zelfs mogelijk om technische gegevens te verwerken, zoals de schietbaan van kogels.1 Een reconstructie dient niet alleen ter toetsing, maar kan ook worden gebruikt om nieuwe, aanvullende informatie te achterhalen. Een reconstructie op de plaats van het delict kan het geheugen van de getuige op bepaalde punten activeren.
Naar de inzet van veel van dergelijke methoden is empirisch onderzoek verricht. Dit onderzoek richt zich op de kwaliteit van de gehanteerde methoden en de daardoor gegenereerde resultaten. Zo is er veel empirisch onderzoek verricht naar het spelinterview, waarbij (anatomisch correcte) poppen worden gebruikt, waarna de methode zelf ter discussie is komen te staan. De veronderstelling die aan deze methode ten grondslag ligt, is dat uit het spelgedrag van het kind kan worden afgeleid of het slachtoffer is geworden van seksueel misbruik. Grote interesse voor de geslachtsdelen (of juist het omzichtig vermijden) ervan tijdens het spelen met de poppen zou een indicator zijn voor slachtofferschap. De poppenspelmethode laat inderdaad zien dat er een significant verschil is in spelgedrag tussen kinderen die wel zijn misbruikt en kinderen die niet zijn misbruikt. Echter, allereerst kunnen daar in een individueel geval geen betrouwbare conclusies aan worden verbonden. En bovendien heeft onderzoek uitgewezen dat ook kinderen die niet seksueel zijn misbruikt dit type gedrag vertonen en dat de methode derhalve niet betrouwbaar (genoeg) is.2 Dit type onderzoek is van belang voor het gebruik van deze methode in de strafrechtelijke context en laat zien dat deze niet zou mogen worden ingezet.
In geval van de confrontatie heeft het empirisch onderzoek geresulteerd in richtlijnen voor de praktijk. Een bewijsconfrontatie kan correct resultaat opleveren, mits deze volgens de juiste procedure en op correcte wijze is uitgevoerd. Zo is van groot belang dat een meervoudige confrontatie met figuranten wordt georganiseerd (de zogenaamde Osloconfrontatie), waarbij voldoende figuranten worden opgenomen van wie het uiterlijk past bij het signalement van de dader. Voorts is belangrijk dat de juiste instructies worden gegeven aan de getuige en suggestie van enigerlei aard wordt vermeden.3 Ook het onderzoek naar compositietekeningen is in dit verband relevant, nu het laat zien dat het opgeven van een signalement een latere herkenning bemoeilijkt en waarom dat het geval is. Mensen onthouden gezichten namelijk als één geheel, dus holistisch. Met het vragen naar een signalement wordt dat holistische beeld afgebroken om het vervolgens in een compositietekening weer op te bouwen. Hierdoor verandert het geheugen.4 Dit type informatie is van belang voor de opsporingspraktijk en voor de persoon die de waarde van een eventuele latere herkenning moet beoordelen.