Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/2.4.1
2.4.1 Art. 4:50 lid 3 BW
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491151:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze bepaling: Asser/Perrick 4 2021/571; Handboek Erfrecht 2020/VII.2.15; Van Mourik & Schols, in: Erfrecht (Mon. Pr. nr. 1) 2018/43.3; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer, Erfrecht 2008/227-228. Zie ook: Boelens 2015, p. 127-128.Het oud BW had geen equivalent van art. 4:50 lid 3 BW. In de literatuur bestond discussie over de vraag of in dat geval vermenging optrad: Diephuis VI 1886, p. 606; Land II 1901, p. 310, voetnoot 4. Vgl. Nap 1902, p. 521, 544.Onder het oude recht was lange tijd onduidelijk of een legataris een goederenrechtelijke of een verbintenisrechtelijke aanspraak had op het gelegateerde goed. Zie: Asser/Perrick 4 2021/559-560 (met verwijzingen naar jurisprudentie en andere literatuur); Klaassen-Eggens/Luijten, Erfrecht 1989, p. 167-169. In HR 11 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4808 (Verhoeven/Peters) is uiteindelijk beslist dat de legataris een verbintenisrechtelijke vordering tot levering heeft. Volgens de opvatting dat de legataris een goederenrechtelijke aanspraak op het gelegateerde heeft, gaat de gerechtigdheid tot het gelegateerde rechtstreeks over van de erflater op de legataris (vgl. Lokin/Brandsma 2016, p. 348). Er kan dan geen vermenging optreden in handen van de erfgenaam.
Een legaat kan ook zien op een goed dat niet (meer) tot het vermogen van de erflater behoort op het moment van overlijden.
Zie §10.3.
16. Volgens art. 4:50 lid 3 BW vindt geen vermenging plaats, als een beperkt recht op een goed van een erfgenaam, of een goed waarop een beperkt recht van een erfgenaam is gevestigd, wordt gelegateerd, tenzij het legaat wordt verworpen.1
Een legaat is een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan één of meer personen een vorderingsrecht toekent (art. 4:117 lid 1 BW). Dat vorderingsrecht kan een recht op levering van een bepaald goed zijn. Het goed is in dat geval gelegateerd. Behoort het gelegateerde goed op het moment van overlijden tot het vermogen van de erflater,2 dan gaat het goed in eerste instantie door erfopvolging over op de erfgenaam (art. 4:182 lid 1 BW). Op de erfgenaam rust de verplichting het goed aan de legataris te leveren in de staat waarin het zich bevindt op het moment van overlijden (art. 4:50 lid 1 BW).
Het optreden van vermenging zou de nakoming van die verplichting kunnen bemoeilijken. Een vader heeft een recht van erfpacht op een stuk grond van zijn zoon. De vader heeft de erfpacht gelegateerd aan een derde. Vader overlijdt. De zoon is zijn enig erfgenaam. De erfpacht zou in beginsel door vermenging tenietgaan: door erfopvolging komen de erfpacht en de bezwaarde eigendom in één hand. Op grond van art. 4:50 lid 3 BW gaat de erfpacht echter niet door vermenging teniet. Zou die bepaling er niet zijn geweest, dan zou de zoon een nieuw recht van erfpacht moeten vestigen om uitvoering te geven aan het legaat. Maar dat nieuwe recht zou wel rang nemen naar het moment van vestiging. Dat kan nadelig zijn, als na totstandkoming van de oorspronkelijke erfpacht, andere beperkte rechten zijn gevestigd op de bezwaarde zaak. Dit probleem wordt echter evenzeer ondervangen door de invulling die ik geef aan de tweede volzin van art. 3:81 lid 3 BW (zie § 9.2). De betekenis van art. 4:50 lid 3 BW is daarom zeer beperkt.3