Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/16.1.4
16.1.4 Voorbeelden van ‘nevenrechten’
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS305261:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Verdaas 2008, p. 292.
Zie bijvoorbeeld Huijgen 2014, para. 12.3, p. 35: “voorrechten worden in bepaalde gevallen door de wet toegekend” en Gomperts 1912, p. 64: “Voorrechten zijn door de wet aan een vordering om ‘inherente economische redenen’ toegekende kwaliteit”.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 531: “De reeds vermelde opneming onder de nevenrechten van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van ter zake van de vordering en de nevenrechten bestaande executoriale titels geeft een oplossing op een punt waarover thans geen eenstemmigheid bestaat […]. De oplossing van het ontwerp komt de ondergetekende om praktische redenen wenselijk voor.”
Een alternatieve grondslag voor het overgaan van procesrechtelijke bevoegdheden zou nog kunnen worden gevonden in art. 3:304 BW; zie in deze zin Wibier 2009a, para. 15, p. 18.
Vergelijk art. 5:1 lid 3 BW voor zaken. Onder het oude recht werd ook wel opgemerkt dat de te verkrijgen rente, als vrucht van de vordering, niet van die vordering kon worden gescheiden; zie de Ras 1850, p. 48; Canes 1903, p. 181-182.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 528.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 531.
Prinsen 2004, p. 45; Rongen 2012, p. 1273. Zie ook het arrest HR 30 november 1945, NJ 1946, 64 (van der Waard/Verzicht), waarin wordt bepaald dat met een vordering overgaan “de rechten welke, hetzij krachtens de wet of naar de bedoeling van partijen, behoren tot de vordering”.
Zie bijvoorbeeld Wibier 2009a, para. 25, p. 31; Asser/Sieburgh 2017, para. 264.
Zie Wibier 2009a, para. 25, p. 31; Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 345 (die dergelijke afspraken tot de inhoud van het vorderingsrecht rekenen).
Zie over dergelijke afspraken, die vaak juist een beperking inhouden voor de rechthebbende van het vorderingsrecht Biemans 2011, p. 719.
Zie voor overzichten Biemans 2011, p. 714 en van Mierlo & Beijer, Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:142 BW, aant. 7 t/m 16 (laatst geraadpleegd 1 juli 2018).
Het is dus mijns inziens weinig vruchtbaar om de vraag te stellen of een bepaald recht een nevenrecht is, zonder aan te geven waarom dat zo is; zie in deze zin bijvoorbeeld de cassatieprocedure die aanleiding gaf tot HR 11 april 2014, JOR 2014/199 (UWV/curatoren Econcern). In deze zaak werd gesteld dat een recht uit 403-verklaring, alhoewel het niet een afhankelijk recht is, toch als nevenrecht zou moeten worden gekwalificeerd. Beter is het om – los van de kwalificatie als nevenrecht – te betogen waarom het recht zou overgaan op de verkrijger van de vordering. Zie over rechten uit 403-verklaring meer uitgebreid paragraaf 17.1.2.
733. In de literatuur worden veel verschillende voorbeelden van nevenrechten gegeven. Ik bespreek deze voorbeelden in verschillende categorieën, waarbij ik steeds aangeef via welk mechanisme de betreffende aanspraken aan de vordering waar zij bij horen, worden verbonden. Uiteindelijk zal blijken dat de kwalificatie als ‘nevenrecht’ voor géén van deze aanspraken noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat ze gezamenlijk met de vordering waar ze bij horen, mee over gaan.
734. In de eerste plaats worden in art. 6:142 lid 1 BW drie afhankelijke zekerheidsrechten als nevenrechten genoemd: het pandrecht, het hypotheekrecht en rechten uit borgtocht. Deze rechten volgen de vordering waaraan zij zijn verbonden, omdat ze voldoen aan de vereisten om te worden aangemerkt als afhankelijk recht (zie paragraaf 14.1.5.2).
735. Art. 6:142 lid 1 BW vervolgt met het aanmerken van voorrechten als nevenrecht. Ik heb hierboven in randnummer 731 al uiteengezet dat in het originele ontwerp van Meijers de voorrechten niet onder de nevenrechten vielen. In de literatuur bestaat geen overeenstemming over de vraag of voorrechten als afhankelijke rechten, nevenrechten, of anders dienen te worden gezien.1 Ze kunnen mijns inziens beter worden begrepen als door de overheid toegedeelde aanspraken (zie ook randnummer 507).2
736. Ten slotte spreekt art. 6:142 lid 1 BW over de bevoegdheid om voor de vordering en andere nevenrechten verkregen executoriale titels ten uitvoer te leggen. Deze bevoegdheden zijn aan het artikel toegevoegd vanwege een discussie in de literatuur over de vraag of zij zouden overgaan bij overgang van de vordering waar zij betrekking op hebben en hoe deze overgang dan zou moeten worden verklaard. Met het opnemen van deze bevoegdheden heeft de wetgever vooral deze discussie willen beslechten. Het is daarom vooral een praktische keuze geweest om deze bevoegdheden als nevenrecht aan te merken, zonder dat daar diepere dogmatische redenen voor zijn.3 Hier geldt wat mij betreft hetzelfde als voor de voorrechten: de mogelijkheid om executoriale titels ten uitvoer te leggen wordt op basis van de wet toegekend en hoeft daarom niet als nevenrecht mee over te gaan bij overgang van de vordering (zie in algemene zin hoofdstuk 13).4
737. In art. 6:142 lid 2 BW worden als nevenrechten genoemd de rechten op bedongen rente of boete of op een dwangsom (voor zover deze nog niet opeisbaar of verbeurd zijn). In Meijers’ ontwerp vielen deze rechten niet onder de nevenrechten (zie randnummer 731). Het is mijns inziens ook niet nodig om deze rechten als nevenrechten aan te merken. De rente die uit een vordering wordt verkregen, is aan te merken als burgerlijke vrucht (art. 3:9 lid 4 BW). Vruchten komen in beginsel aan degene toe die gerechtigd is tot het goed waar ze uit voortspruiten.5 Gaat een rentedragende vordering over, dan wordt de verkrijger van de vordering gerechtigd er de rente van te genieten; daar is de constructie van het nevenrecht niet voor nodig. De reden waarom de verkrijger van een vordering gerechtigd is een voor die vordering overeengekomen boetebeding in te roepen, is mijns inziens gelegen in het feit dat een boetebeding onderdeel van de vordering uit gaat maken, dan wel dat partijen degene die gerechtigd is tot de te betalen boete, kwalitatief hebben aangewezen. De te betalen dwangsom komt op basis van de wet toe aan degene die de vordering heeft waarvoor de veroordeling wordt uitgesproken (art. 611a lid 1 Rv).6 Ook in deze gevallen is het dus niet nodig om over nevenrechten te spreken.
738. Buiten de tekst van art. 6:142 BW worden in de wetgevingsgeschiedenis nog enkele voorbeelden genoemd van rechten die onder de neven rechten zouden vallen: het keuzerecht bij een alternatieve verbintenis en de bevoegdheid om een vordering opeisbaar te maken.7 Volgens de wetgever bepalen deze rechten de inhoud van de vordering nader.8 Ik zou het nog scherper willen formuleren: ze behoren tot de inhoud van de vordering. Het is daarom niet nodig ze als nevenrechten aan te merken, omdat een overgang van de vordering een overgang van al hetgeen tot de inhoud van die vordering behoort met zich brengt.9 De verkrijger van een vordering kan immers niet méér of minder rechten aan de vordering ontlenen dan de vervreemder had.10
739. Hetzelfde is van toepassing op veel andere rechten die in de literatuur wel als nevenrechten worden aangemerkt. Te denken valt aan bewijsbedingen, bedingen die een bevoegde rechter, arbitrage of bindend advies voorschrijven en bedingen die een rechtskeuze inhouden.11 Door dergelijke afspraken tot de inhoud van het vorderingsrecht te rekenen, wordt duidelijk dat zij niet alleen een recht zijn dat de rechthebbende van de vordering kan uitoefenen; ook de schuldenaar van de vordering kan zich erop beroepen.12
740. Er zijn nog veel meer rechten te bedenken die op een gegeven moment in de literatuur of rechtspraak als nevenrecht zijn aangemerkt.13 Ook daarvoor geldt mijns inziens hetzelfde als hiervoor; er is geen noodzaak om deze rechten als nevenrechten te bestempelen, omdat er steeds een andere verklaring te noemen is waarom deze rechten toekomen aan een opvolgende verkrijger van de vordering waar ze bij horen. Deze verklaring kan zijn, zoals gezien, dat er sprake is van aanspraken die onderdeel van het vorderingsrecht uitmaken, aanspraken die door de overheid worden toebedeeld, afhankelijke rechten, kwalitatieve rechten of aanspraken die zijn verleend aan degene die de hoedanigheid heeft van rechthebbende van het vorderingsrecht. Is een dergelijke verklaring er niet, dan zal het recht ook geen nevenrecht zijn. De term ‘nevenrechten’ is, met andere woorden, een lege huls. Wat mij betreft zouden er geen gevolgen moeten worden verbonden aan de kwalificatie ‘nevenrecht’. Alle gevolgen die aan de kwalificatie ‘nevenrecht’ zijn verbonden, vloeien eigenlijk voort uit de onderliggende figuren die in de term ‘nevenrechten’ worden gecombineerd.14 Ik zal dit standpunt in de rest van dit hoofdstuk uitwerken.