Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/2.4.4:2.4.4 Betekenis van de consistentieplicht, bescherming tegen onredelijk nadeel en van gerechtvaardigd vertrouwen voor het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/2.4.4
2.4.4 Betekenis van de consistentieplicht, bescherming tegen onredelijk nadeel en van gerechtvaardigd vertrouwen voor het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973661:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit par. 2.4.2-2.4.3 hiervoor is gebleken dat de ratio van de Obliegenheit kan worden gezocht in bescherming van de schuldenaar in zijn gerechtvaardigd vertrouwen dat hij ontleent aan bepaald (inconsistent) schuldeisersgedrag en tegen onredelijk nadeel dat het inconsistente schuldeisersgedrag teweegbrengt. Uiteindelijk verdeelt de Obliegenheit op basis van deze beschermingsgedachte risico’s op een proportionele wijze, aangezien het specifieke nadeel dat het inconsistente schuldeisersgedrag teweeg heeft gebracht wordt weggenomen, althans specifiek gerechtvaardigd vertrouwen wordt beschermd.
Gelet op deze bevindingen kan het leerstuk rechtsverwerking in essentie gezien worden als sanctie op schending van een consistentieplicht. Het perspectief van een consistentieplicht verklaart waarom voor het aannemen van rechtsverwerking als sanctie alleen tijdsverloop niet voldoende is. Er zijn bijkomende omstandigheden vereist om tot het oordeel te komen dat het vervolgens nog geldend maken van de vordering door de schuldenaar onverenigbaar is met zijn eerdere gedrag. Daarvoor is tijdsverloop niet genoeg, hoewel in theorie schuldeisershandelen dat alleen uit stilzitten bestaat mogelijk wel genoeg kan zijn. Het moet dan gaan om stilzitten, waar de consistentieplicht juist van de schuldeiser vereist dat hij in actie was gekomen.1
In par. 2.4.3 werd geconcludeerd dat het beginsel dat de schuldenaar tegen onredelijk nadeel moet worden beschermd relatief meer gewicht in de schaal legt voor de ratio van Obliegenheiten dan het beginsel dat gerechtvaardigd vertrouwen moet worden beschermd. Dat roept de vraag op wat te denken van de heersende leer, waarin rechtsverwerking op basis van gerechtvaardigd vertrouwen alleen kan worden aangenomen. Die vraag behandel ik in hoofdstuk 5.
Bij de klachtplichten geldt dat de klachtplicht zelf als consistentieplicht moet worden gezien. Ik constateerde in par. 2.4.2 dat de wettelijke klachtplichten beogen de schuldenaar te beschermen tegen onredelijk nadeel. Door het achterwege blijven van een tijdige klacht kan de positie van de schuldenaar worden verzwaard, bijvoorbeeld in termen van bewijspositie of doordat hij een tekortkoming niet meer ongedaan kan maken. Dit perspectief verklaart waarom de wettelijke klachtplichten niet simpelweg als sanctie op een ontijdige klacht van de schuldeiser kunnen worden gezien. Het verlies van rechten als gevolg van het stilzitten van de schuldeiser wordt vooral gelegitimeerd doordat de schuldeiser, in de gegeven omstandigheden, op een specifiek moment in de tijd had moeten klagen en dat niet deed. Dat moment is vaak gelegen binnen een vrij scherp omlijnd tijdsmoment na levering van de prestatie door de schuldenaar. Na levering bevindt de schuldenaar zich in een slechtere bewijspositie: hij kan de prestatie zelf in de regel niet meer op gebreken onderzoeken. Ook kan hij een gebrek minder eenvoudig ongedaan maken of de schade die dat gebrek meebrengt beperken.2 Bovendien verklaart het perspectief van de klachtplicht als consistentieplicht dat deze plicht voor toepassing in aanmerking komt bij gevallen waarbij naar de aard onduidelijkheid kan ontstaan over de vraag of de schuldenaar zijn verplichtingen correct is nagekomen. Die onduidelijkheid ontstaat wanneer de schuldeiser zijn moment mist om te klagen, zoals hiervoor beschreven. Die onduidelijkheid kan evenwel ook ontstaan wanneer het vooral in het domein van de schuldeiser ligt om na ontvangst van de prestatie aan te geven of de prestatie van de schuldenaar in zijn ogen voldoet, bijvoorbeeld omdat hij de ontvangen prestatie in moet passen in een prestatie die hij op zijn beurt zelf heeft te verrichten en waar de schuldenaar beperkt inzicht in noch invloed op heeft. In dergelijke situaties komt de schuldenaar bescherming door de wettelijke klachtplichten toe. Dat roept de vraag op of op basis van de huidige rechtspraaklijn van de Hoge Raad, waarbij groot belang toekomt aan de vraag of de schuldenaar is benadeeld als gevolg van het tijdstip waarop is geklaagd en welk criterium lange klachttermijnen mee kan brengen, niet te veel focus op die termijn komt te liggen. Ook die vraag bespreek ik in hoofdstuk 5.
Door rechtsverwerking als sanctie op schending van een consistentieplicht te zien en ook de wettelijke klachtplicht als een consistentieplicht te beschouwen, kunnen beide rechtsfiguren worden afgebakend van de korte verjaringstermijnen. Dit onderwerp diep ik in hoofdstuk 3 uit. Bovendien biedt het Obliegenheit-karakter van de klachtplichten perspectief voor vragen omtrent het toepassingsbereik van de wettelijke klachtplichten. Die vraag komt aan de orde in hoofdstuk 4.