Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/5.2.1
5.2.1 Toepassing van voorlopige hechtenis
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200762:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Inclusief rechter-commissarissen.
Deze term lijkt onder zowel officieren van justitie als onder rechters een dubbele betekenis te kennen. Zo is het pedagogisch om meteen en duidelijk met straf te reageren op strafbare feiten. Tevens wordt onder het ‘pedagogisch’ karakter van het jeugdstrafrecht verstaan dat hier de nadruk ligt op ‘positieve gedragsbeïnvloeding’, waarbij zo min mogelijk gestraft wordt.
Het beeld dat voorlopige hechtenis in Nederland relatief vaak wordt toegepast in vergelijking met andere Europese landen is niet langer juist; zie hoofdstuk 2.
Verschillen van opvatting over voorlopige hechtenis blijken niet dagelijks, maar zijn er wel. Een minderheid van de geïnterviewde officieren van justitie vindt dat het OM kritischer zou moeten omgaan met voorlopige hechtenis. Zo meent een officier van justitie dat collega’s vaak vanuit een soort automatisme overgaan tot voorgeleiding van de verdachte bij de rechter-commissaris. Echter, in tegenstelling tot collega’s die het grote aandeel afwijzingen van voorlopige hechtenis wijten aan een verkeerde beoordelingswijze van de rechter-commissaris, meent zij dat hiermee door diezelfde collega’s onvoldoende kritisch wordt omgegaan. Dit verschil van opvatting over voorlopige hechtenis komt eveneens tot uitdrukking in opvattingen over de beslissing over ‘bewaring’ van de verdachte. Wanneer gedurende de veertien dagen die maximaal zijn toegestaan het opsporingsonderzoek onvoldoende op blijkt te leveren om de voorlopige hechtenis nog te kunnen verlengen (gevangenhouding), meent een geïnterviewde officier van justitie dat verdachte dan zo snel mogelijk uit de ‘bewaring’ moet worden vrijlaten. Volgens hem denken officieren van justitie hier verschillend over en is dat geen goede zaak:
‘Een verdachte zit veertien dagen vast in bewaring. Tijdens de bewaring blijkt dat je toch niet richting een gevangenhouding gaat. Dan zijn er heel veel mensen [collega’s] die dan zeggen, laat hem maar uit zijn termijn [van veertien dagen] lopen. Met andere woorden, die veertien dagen heeft ‘ie dan alvast. Dat is een heel verkeerd uitgangspunt. Je kan geen voorschot nemen op de straf door voorlopige hechtenis, dus daarin mogen we ook veel kritischer zijn.’
Een ander verschil in opvatting over hoe met de voorlopige hechtenis van verdachten om te gaan betreft de beoordeling van het criterium ‘ernstige bezwaren’ (een voldoende ernstige verdenking). Een officier van justitie meent dat het in de lijn der verwachting moet liggen dat een veroordeling zal volgen. In gevallen waarin hieraan getwijfeld kan worden, vormt voorlopige hechtenis in zijn ogen te vaak een voorschot op de straf.
‘Ik beoordeel voorlopige hechtenis net iets anders dan wel gebruikelijk is. Collega’s van mij, secretarissen en zelfs een raadkamer kijken er soms anders naar dan ik. Zij zien dan bijvoorbeeld nog net voldoende ernstige bezwaren en willen dan voorlopige hechtenis toepassen. Mijn uitgangspunt is dat ik alleen voorgeleid als ik goed vertrouwen heb op een veroordeling of als het echt niet anders kan in een ernstige zaak. Een verdachte hoort op vrije voeten te zijn, hoe vaak die ook een feit heeft gepleegd. Hierop is de rechterlijke macht niet kritisch genoeg. Ook het OM niet. (…) Je kunt geen voorschot nemen op de straf door voorlopige hechtenis.’
Officieren die met name aan grote zaken werken, TGO-officieren en themaofficieren die bijvoorbeeld mensenhandel- of fraudezaken behartigen namens het OM, zijn het meest tevreden over de beslissingen die door rechters1 over voorlopige hechtenis worden genomen. Er lijkt in hun zaken weinig twijfel over mogelijk of de betrokken verdachten in voorlopige hechtenis geplaatst moeten worden of niet. Een officier: ‘Ik vind het terecht dat rechter-commissarissen kritisch omgaan met voorlopige hechtenis. Als ik het er niet mee eens ben ga ik in hoger beroep. Maar ik heb er niet veel last mee, [mijn verdachten] blijven eigenlijk altijd zitten.’ Andere officieren reageren regelmatig met onbegrip op beslissingen die door rechters worden genomen. Met name sinds onder invloed van jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kritischer wordt geoordeeld over voorlopige hechtenis zijn zowel politiemensen als officieren van justitie weleens ontevreden wanneer verdachten in vrijheid worden gesteld. Een officier van justitie, gespecialiseerd in mensenhandelzaken, betrekt hierbij de positie van de slachtoffers in dit type zaken. Voor hen betekent het soms een risico wanneer één of meerdere verdachten zijn voorgeleid, maar niet in voorlopige hechtenis worden geplaatst. Dit speelt voor deze officier een grote rol, (mede) omdat zij gewend is in direct contact te staan met mogelijke slachtoffers. Daarbij beschouwt deze officier jurisprudentie die tot terughoudendheid bij de toepassing van voorlopige hechtenis strekt, niet als dwingend:
‘Ik zie meteen de reactie van het slachtoffer, die is vaak heel heftig. Je ziet een tendens dat rechters liever geen voorlopige hechtenis willen opleggen omdat ze de onschuldpresumptie steeds belangrijker vinden op basis van een arrest van het EHRM. Die uitspraak was op een specifieke zaak van toepassing, maar die passen ze overal toe. Je ziet dat steeds meer en daar worden de politie en wij van het OM niet blij van.’
Een deel van de officieren van justitie is ontevreden omdat rechters volgens hen in toenemende mate de jurisprudentie aangrijpen om terughoudend met de toepassing van voorlopige hechtenis om te gaan. Rechters wordt verweten dat ze een strikte interpretatie hanteren van de juridische kaders (inclusief jurisprudentie) voor voorlopige hechtenis. Beoordeling van de vereiste ‘ernstige bezwaren’ (een voldoende ernstige verdenking) levert weinig onduidelijkheid op volgens de geïnterviewde officieren, maar sommigen ervaren dit als een ‘rekbaar begrip’ en menen dat rechters hier striktere eisen aan stellen:
‘Ik denk dat de rechter vaak veel dichter tegen wettig en overtuigend bewijs gaat zitten en wij daar wat meer ruimte hebben. Het is onvermijdelijk een weging.’
In de beschreven opvattingen komt het spanningsveld tussen due process en crime control soms duidelijk naar voren. Het juridisch kader wordt niet in de eerste plaats als een waarborg beschouwd ter bescherming van de individuele verdachte; wel als een mogelijkheid (bijvoorbeeld) een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel zoveel mogelijk te beschermen tegen crimineel gevaar. Onder officieren van justitie is tevens ontevredenheid over rechterlijke beslissingen te bespeuren die niet door een crime control-opvatting te verklaren is. Soms zorgt het uitgangspunt dat rechters hanteren voor de ‘strafverwachting’ voor een afwijkende beslissing ten opzichte van de vordering van het OM (vanwege art. 67a lid 3 Sv). Hierbij gaat het deels om structureel verschillende uitgangspunten met betrekking tot de straffen, door verschil tussen OM-richtlijnen en de oriëntatiepunten van de rechters. Ook wordt verbazing opgewekt doordat rechters de regels verschillend zouden interpreteren. Tijdens de interviews worden hiervan regelmatig voorbeelden aangehaald. Zo zou bij de beoordeling van de ‘recidivegrond’ soms strikt worden uitgegaan van eerdere vergelijkbare feiten in de justitiële documentatie, terwijl volgens officieren van justitie in andere gevallen de recidivegrond ook wordt aangenomen op basis van eerdere veroordelingen voor andersoortige feiten. Een andere grond voor voorlopige hechtenis, de ‘geschokte rechtsorde’, wordt volgens officieren soms standaard door de rechter aangenomen bij een ‘twaalfjaars-feit’. Soms ook wordt een gedetailleerde onderbouwing geëist die aangeeft waardoor sprake zou zijn van een geschokte rechtsorde als de verdachte op vrije voeten komt. Ook wordt soms, tot frustratie van officieren van justitie, na verloop van tijd geoordeeld dat van een geschokte rechtsorde geen sprake meer zou zijn, terwijl in andere volgens hen vergelijkbare gevallen wordt geconcludeerd dat de rechtsorde wel geschokt is. Een officier van justitie geeft een voorbeeld waaruit haar frustratie blijkt over uiteenlopende interpretaties van de juridische gronden voor voorlopige hechtenis. Zij gaat specifiek in op de recidivegrond. Haar frustratie wordt mede ingegeven doordat de verschillen in interpretatie moeilijk aan de politie zijn uit te leggen.
‘Ik kan niet altijd uit de voeten met hoe de gronden [voor voorlopige hechtenis] worden uitgelegd door de rechter-commissaris. De recidivegrond wordt door de rechter vaak uitgelegd aan de hand van het strafblad dat er ligt. Geen strafblad, dan ook geen herhalingsgevaar. Maar ik vind dat een vreemde redenering. Herhalingsgevaar ziet op de toekomst en wat als je een jongen [zonder relevante vermeldingen op zijn strafblad] wel ziet afglijden? Ik wijs dan op andere informatie die aangeeft dat het eerder is misgegaan. Die informatie ligt dan ook wel bij de rechter. En dan geef ik aan dat als niet wordt ingegrepen, het van kwaad tot erger zal gaan, in situaties van huiselijk geweld bijvoorbeeld. De RC zegt dan soms wel heel gemakkelijk: er is geen strafblad, dus geen herhalingsgevaar. Ik snap dat niet en kan dat soort gevallen ook niet uitleggen aan de politie.’
In de beleving van officieren van justitie worden overeenkomstige redeneringen die zij aanvoeren in relatie tot de juridische gronden, door de rechters verschillend beoordeeld. Dit sluit ook aan bij de ervaring van politiemensen (zie hoofdstuk 4); ook in hun ogen worden vergelijkbare gevallen verschillend beoordeeld. Soms wordt door rechters in lijn met de beoordeling van het OM besloten, soms ook worden volgens officieren van justitie hogere eisen aan de juridische gronden gesteld. Een consequent strikte beoordeling door de rechters zou betekenen dat het OM hierop zijn werkwijze het beste kan aanpassen. Maar wanneer duidelijke kaders ontbreken en uitkomsten onvoorspelbaar zijn, is het lastig voor het OM om daarop goed te anticiperen (vgl. McConville, Sanders & Leng, 1991).
Onvoorspelbare uitkomsten en onverklaarbare verschillen in afweging leiden tot het beeld van een rechterlijke macht die op basis van willekeur beslist, of niet goed in staat is in te zien wat er speelt. Sommige officieren van justitie delen dit beeld met politiemensen. Zo zouden verschillende rechters de voorlopige hechtenis in dezelfde zaak verschillend beoordelen. In het volgende voorbeeld zegt een officier van justitie de ontstane situatie niet uit te kunnen leggen aan de politie:
‘In een mensenhandelzaak had de rechtbank bepaald dat iedereen op vrije voeten moest komen. Drie maanden later was de inhoudelijke behandeling en vonden ze [andere rechters] de geschokte rechtsorde wel weer aanwezig en andere gronden waren er niet. Ze hebben gevangenneming bevolen (…). Leg dat dan maar eens uit aan de politie, die weer moet opdraven om die jongens [opnieuw] van hun bed te lichten.’
Vaak staat in de opvatting van officieren van justitie over voorlopige hechtenis centraal dat de kans op oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf klein is in gevallen waarin de verdachte (al enige tijd) niet (meer) in voorlopige hechtenis zit (vgl. Stevens, 2012). Bepalend voor hen is dat in een later stadium mogelijk geen gevangenisstraf meer zal worden opgelegd wanneer er geen voorlopige hechtenis is toegepast. Mede onder invloed van de vaak optredende lange doorlooptijden (zie §5.5) wordt door officieren van justitie regelmatig geanticipeerd op de vraag of ‘gevangenisstraf’ gewenst is. Voorlopige hechtenis vormt in deze gevallen eigenlijk een voorschot op de straf. Daarbij lijken de juridische gronden voor voorlopige hechtenis door een deel van de officieren van justitie als weinig stringent te worden uitgelegd. Zo maakt een officier van justitie duidelijk dat hij graag zou zien dat de regels beter bij de als lang ervaren doorlooptijden zouden aansluiten, maar vindt hij dat hij zich in de huidige situatie niet door regels moet laten beperken en probeert de door hem gewenste uitkomst zoveel mogelijk in een juridisch vat te gieten. Daarbij krijgt niet formele rechtvaardigheid of een strikte toepassing van het juridisch kader voorrang (De Groot-van Leeuwen, 1991: 182-183), maar eerder zijn eigen morele oordeel over wat er met een verdachte zou moeten gebeuren.
‘Het uitgangspunt is toch: wat wil je met iemand? Wil je gevangenisstraf vanwege de ernst van het strafbare feit, dan kun je er wel een grond bij verzinnen. De recidivegrond, om maar eens een voorbeeld te noemen, kan eruit bestaan dat we moeten vrezen dat de verdachte nog weleens een keer uit zijn pan flipt. Iets meer juridisch geformuleerd dan: de geestesgesteldheid van de verdachte vormt een risico op geweld. Geschokte rechtsorde, daar kun je ook vaak wel wat mee, bij wat zwaardere delicten. Je hebt tegenwoordig een grond als sprake is van geweld tegen de politie of ambulancebroeders. Vaak valt wel iets te verzinnen, maar ik ervaar dat ook als een beetje oneigenlijk. Ik zou er liever kritischer mee omgaan, ook omdat het me tijd scheelt.’
In aansluiting op de opvatting van politiemensen dat ‘personen met verward gedrag’ (zoals de officiële term luidt) in een deel van de gevallen niet adequaat opgevangen (kunnen) worden, geven officieren van justitie aan dat zij soms geen alternatief zien voor voorlopige hechtenis wanneer iemand die verward is een strafbaar feit heeft gepleegd. De groep ‘verwarde personen’ komt volgens officieren steeds vaker met het strafrecht in aanraking doordat GGZ-instellingen nogal eens geen mogelijkheid zien betrokkenen op te nemen of doordat er geen rechterlijke maatregel mogelijk is. Bovendien kon de (civiele) rechter ten tijde van dit onderzoek krachtens de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ) bepalen dat iemand gedwongen opgenomen moest worden, maar kon een GGZ-instelling niet worden gedwongen dat ook te doen. Hoewel wordt beseft dat het strafrecht niet de meest passende mogelijkheden biedt voor ‘verwarde personen’, benadrukken officieren van justitie tijdens de interviews dat voorlopige hechtenis voor deze ‘categorie’ verdachten wel een ‘praktische oplossing’ biedt.
‘[GGZ]-instellingen vinden mensen die strafbare feiten plegen vaak niet houdbaar. Het kan voorkomen dat instellingen deze uit de behandelsetting halen, willen laten aanhouden en zeggen: “Hier heb je ‘m.” (…) Hier wil je iets voor de veiligheid van de samenleving doen en tegelijkertijd recht doen aan de persoon van de verdachte. Het komt gelukkig niet heel vaak voor. Het zijn vaak eenzame mensen die zichzelf van het leven willen beroven en bijvoorbeeld brandstichten in verwarde toestand.’
Sommige officieren van justitie menen dat rechters de door hen geschetste context niet altijd relevant achten. Door deze contextbeschrijving lijken officieren aannemelijk te willen maken dat er een probleem is dat door middel van voorlopige hechtenis kan worden opgelost. In het volgende voorbeeld gaat het om buitenlandse verdachten, in een geval waarin snelrecht kennelijk geen optie was. Ook hier spreekt de officier van justitie zich uit voor voorlopige hechtenis als voorschot op de straf:
‘De Oost-Europeanen die hier in Nederland zijn en waarvan je het gevoel hebt dat ze hier komen om diefstallen te plegen [vormen een probleem]. Je leest veel over bijvoorbeeld de babyvoeding die ze stelen en weer afzetten in eigen land. Dan wordt zo iemand voorgeleid en ik wil hem gewoon twee weken in detentie en meteen afstraffen. Anders is hij weer uit beeld. Een dagvaarding sturen naar ergens in Roemenië gaat nooit lukken. Een boete heeft geen zin, want hij heeft geen geld. Werkstraf heeft geen zin, want die kun je niet uitvoeren in Roemenië. Maar dan zegt de rechtbank: “We hebben geen strafblad.” Ja, zo iemand komt ermee weg en daarom heb ik er geen moeite mee om te pleiten voor meteen afstraffen. Ik vind dat er dan best wat meer naar de context mag worden gekeken, want we komen niet verder met dit gedrag.’
Zoals al eerder bleek zijn er ook officieren van justitie die menen dat voorlopige hechtenis géén voorschot op de straf mag zijn. Een officier pleit in lijn hiermee voor meer snelrecht. Praktische problemen die in zijn ogen nu vaak leiden tot toepassing van voorlopige hechtenis zouden hiermee voorkomen kunnen worden. Ook wordt volgens hem met snelrecht bereikt dat de straf een sterker ‘pedagogisch’2 effect heeft.
‘Ik zou graag veel meer snelrecht toepassen. In Amsterdam had je twee á drie zittingen per week met alleen maar snelrechtzaken. Dat is een goed systeem, maar hier hebben we dat helaas niet. Het is pedagogisch goed om meteen te reageren en dat niet een half jaar later te doen. (…) Op straat waren er veel mensen die iets kleins deden voor de zoveelste keer. Middels snelrecht werden ze opgepakt en kregen in ieder geval twee weken straf, onmiddellijk. Er zijn denk ik weinig landen waar zo veel voorlopige hechtenis wordt toegepast als in Nederland. Het heeft wel een doel, maar niet dat het vooruit loopt op de straf. Dat doet het in feite wel, maar dat zou niet zo moeten zijn: de [zittings]rechter bepaalt uiteindelijk de straf.’
Ook sommige andere officieren van justitie pleiten voor méér terughoudendheid bij het toepassen van voorlopige hechtenis, maar volgens hen vereist dat een gezamenlijke inspanning met de rechters. Daarmee wordt bedoeld dat zittingsrechters gevangenisstraffen zouden moeten opleggen wanneer een verdachte niet (meer) in voorlopige hechtenis zit, zoals blijkt uit het volgende citaat:
‘Wij passen voorlopige hechtenis vaak toe in Nederland. Dat is het gevolg van een zekere cultuur. Als mensen geen voorlopige hechtenis hebben gehad is de kans dat ze nog gevangenisstraf krijgen niet meer zo groot. De beslissing over voorlopige hechtenis is een soort voorveroordeling geworden en rechters kijken ook zo. (…) Er zijn verschillende strafmodaliteiten. Als iemand in voorlopige hechtenis heeft gezeten is het vrij logisch dat hij die drie maanden ook als gevangenisstraf krijgt. Als iemand niet in voorlopige hechtenis zat, dan krijgt hij het misschien voorwaardelijk opgelegd en krijg je dus een ander soort straf. Vaak zie je in de strafmodaliteit de keuzes uit het begin terug. Als je nou zegt op grond van Europese jurisprudentie, er moet veel minder gebruik worden gemaakt van voorlopige hechtenis, prima om te doen, maar dan moet je [als rechter] wel gevangenisstraf gaan opleggen. Ondanks dat je dat vroeger niet deed.’3