Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/4.5.5.4.2
4.5.5.4.2 De aanwezigheid van een keurmerk
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS367505:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
In de medische context. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 januari 2014, ECLI:NL: RBZWB:2014:3600; Rechtbank Rotterdam 19 augustus 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:6179; Rechtbank Amsterdam, 20 januari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:212; Rechtbank Amsterdam 24 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3491; Rechtbank Limburg 31 mei 2017, ECLI:NL: RBLIM:2017:4981.
Vgl. Rechtbank Midden-Nederland 12 november 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:5643, r.o. 4.33.
Maar zal ook daarvoor niet van doorslaggevende betekenis zijn; vgl. voor de (ir)relevantie van registratie bij aansprakelijkheid van de producent HR 30 juni 1989, NJ 1990, 652, m.nt. C.J.H. Brunner (Halcion).
Rechtbank Arnhem 28 november 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BY6606; Rechtbank Utrecht 6 juni 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0533; Rechtbank Midden-Nederland 12 november 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:5643; HR 13 december 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AC3302, NJ 1969, 174. Zie ook: Algemene Rekenkamer 2017 en de annotatie van P. Verbruggen bij Rechtbank Amsterdam 20 januari 2016, TvC 2016, 4, p. 185-186.
Vgl. HvJ EU 14 juni 2007, C-6/05.
Zie nader paragraaf 2.5.5.2.
Vgl. HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2511, NJ 1998, 168 (Smits/Royal Nederland).
In de jurisprudentie is bij een beroep op de tenzij-formule reeds enkele malen relevant bevonden dat de zaak een keurmerk had ontvangen.1 Zoals reeds naar voren kwam in paragraaf 4.5.3. leidt de aanwezigheid van een keurmerk in ieder geval niet tot het oordeel dat een zaak niet ongeschikt zou kunnen zijn voor de uitvoering van de verbintenis.2 Een keurmerk zegt slechts iets over de aanwezigheid van de vereisten die voortvloeien uit de regeling waaraan getoetst wordt en vormt hooguit een indicatie voor de algemene deugdelijkheid van een zaak.3 Dit laat onverlet dat op een later moment kan blijken dat de zaak in het algemeen ondeugdelijk is, een in het algemeen deugdelijke zaak incidenteel een gebrek kan vertonen of de zaak anderszins ongeschikt kan zijn voor de uitvoering van deze verbintenis.4 De hoofdregel van 6:77 BW kan derhalve van toepassing zijn op een zaak met een keurmerk. In overeenstemming met hetgeen is opgemerkt ten aanzien van de incidentele ongeschiktheid in de vorige alinea, sluit dit niet uit dat aan de aanwezigheid van een keurmerk waarde gehecht kan worden bij de beoordeling van een beroep op de tenzij-formule. Zo zou de aanwezigheid van een keurmerk aan de orde kunnen komen in het kader van de beoordeling van de omstandigheid dat de schuldenaar een aanbestedingsprocedure heeft gevolgd voor de aankoop van het hulpmiddel.5 Deze omstandigheid zou mogelijkerwijs tot het oordeel kunnen leiden dat er sprake was van een beperking van de keuzevrijheid van de schuldenaar.6 Of dit ertoe dient te leiden dat toerekening aan de schuldenaar onredelijk is, zal afhangen van de vraag tot wiens risicosfeer deze beperking in het concrete geval behoort. De relevantie van de aanwezigheid van een keurmerk zal niet dienen te liggen in de vraag of de schuldenaar voldoende zorg in acht heeft genomen bij de aanschaf van zaken. Deze vraag is bij een risicoafweging zoals die plaats dient te vinden in het kader van artikel 6:77 BW in beginsel niet van belang.7