Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/4.5.5.4.1
4.5.5.4.1 De aard van de ongeschiktheid
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS365051:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Utrecht 6 juni 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0533, r.o. 4.14. De rechtbank kwam tot het oordeel dat een beroep op de tenzij-formule de schuldenaar in casu niet kon baten, aangezien de toerekening van het falen van de hulpzaak aan hem niet onredelijk moest worden geacht. Dit omdat ‘niet kan worden uitgesloten dat de oorzaak van het leeglopen van de brandstoftank gelegen is in een omstandigheid die in de risicosfeer van DB Schenker gelegen is, het optreden van steenslag als oorzaak daarvan niet als onvoorzienbaar kan worden aangemerkt en DB Schenker voor schade als de onderhavige verzekerd is’.
HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2511, NJ 1998, 168 (Smits/Royal Nederland) (De Hoge Raad oordeelde dat de overweging van het hof, dat de schuldenaar zich er niet op kan beroepen dat zij voldoende zorg in acht heeft genomen, nu het gebrek van de zaak voor haar rekening komt op grond van artikel 6:77 BW, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting); Rechtbank Utrecht 25 juli 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3544 (De schuldenaar stelde dat de tekortkoming geen verband hield met omstandigheden die zich in haar invloedssfeer bevonden. De rechtbank oordeelde dat dit in het kader van artikel 6:77 BW niet relevant is omdat dit artikel ‘nu eenmaal meebrengt dat ook buiten de invloedssfeer van de schuldenaar gelegen oorzaken voor zijn risico komen’); Rechtbank Noord- Holland 5 april 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:4193 (Volgens de schuldenaar zou toerekening niet redelijk zijn omdat de schade door haar niet hoefde te worden voorzien en zij daaraan geen schuld had omdat zij de kraan had laten keuren en niet had hoeven te weten dat de kabels ondeugdelijk waren. De rechtbank overwoog: ‘artikel 6:77 BW [brengt] nu eenmaal mee dat ook buiten de invloedssfeer van de schuldenaar gelegen oorzaken voor zijn risico komen’). Zie ook de annotatie van Dute bij rechtbank Amsterdam 20 januari 2016, TvGR 2016/44.
In paragraaf 4.5.3.3 kwam naar voren dat de hoofdregel van artikel 6:77 BW van toepassing is op zowel algemeen als incidenteel ongeschikte hulpzaken. Daarbij is een uitspraak van de Rechtbank Utrecht over een ongeschikte locomotief besproken waarin naar voren kwam dat in geval van incidentele ongeschiktheid slechts de tenzij-formule van artikel 6:77 BW uitkomst kan bieden aan de schuldenaar.1 De rechtbank baseert dit op de passage uit de parlementaire geschiedenis dat aansprakelijkheid achterwege zou kunnen blijven bij een voor deskundige gebruikers niet te onderkennen gebrek. De vraag is of de MvA hiermee doelde op incidenteel ongeschikte hulpzaken. Hoewel incidentele gebreken van in het algemeen geschikte zaken dikwijls niet te onderkennen zullen zijn voor de gebruiker van de zaak, lijkt deze opmerking in de MvA geen betrekking te hebben op de aard van de ongeschiktheid. De opmerking wordt gemaakt ten aanzien van producten die door de producent met een gebrek in het verkeer zijn gebracht en lijkt te impliceren dat, indien de producent aansprakelijk is en de schuldenaar het gebrek niet behoefde te kennen, de schuldenaar – ongeacht de aard van de geschiktheid – een beroep op de tenzij-formule kan toekomen. Zie hierover de vorige paragraaf onder het kopje ‘de aansprakelijkheid van de producent’.
Bij het toekennen van relevantie aan de aard van de ongeschiktheid dient in ogenschouw te worden genomen dat een redenering waarin het incidentele karakter van de ongeschiktheid relevant wordt bevonden, snel zal neigen naar een redenering voor het ontbreken van verwijtbaarheid, hetgeen niet zou aansluiten bij het karakter van artikel 6:77 BW.2