Einde inhoudsopgave
De notaris en gelijk oversteken (AN nr. 184) 2024/2.1
2.1 Afwijkingen met het oog op een vlot lopend rechtsverkeer
mr. T.J. Bos, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T.J. Bos
- JCDI
JCDI:ADS941640:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voetnoot 296.
Hetgeen ook wordt opgemerkt in de parlementaire geschiedenis (W.H.M. Reehuis & E.E. Slob, m.m.v. J.B. Rijpkema, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe burgerlijk wetboek. Invoering boeken 3, 5 en 6. Wijziging van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, de wet op de rechterlijke organisatie en de faillissementswet. Aanpassing van de overige wetten, Deventer: Kluwer 1992, p. 230). Overigens wordt de verkrijger niet beschermd tegen het faillissementsbeslag; in dat geval dienen de belangen van de gezamenlijke schuldeisers voor te gaan.
De Wet modernisering faillissementsprocedure zou aanvankelijk een wijziging van art. 14 lid 3 Fw met zich brengen waardoor essentiële gegevens van een faillissement terstond – en in ieder geval op de dag van de uitspraak – zouden worden ingeschreven in het Centraal Insolventieregister. Echter, vanwege de vertragingen in het KEI-programma heeft de rechtspraak aangegeven dat meer tijd nodig is om de systemen en werkprocessen op deze wijziging voor te bereiden.
Er is veelvuldig gediscussieerd over de vraag of en in hoeverre art. 3:24 BW daadwerkelijk beschermt in deze situaties, zie H.W. Heyman, S.E. Bartels & V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties: overdracht, Den Haag: Boom juridisch 2019, p. 468 e.v. Ik volg bovengenoemde auteurs (en daarmee ook Van Hees en Steneker, zie J.J. van Hees, ‘Levering van registergoederen en aandelen tijdens faillissement: curator en notaris in een lastig parket’, in: N.E.D. Faber e.a., De curator, een octopus, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 127 - 129 en A. Steneker, ‘Koper failliet? Geen probleem’, WPNR 2016/7107, p. 379 - 381) in hun opvatting dat bescherming op grond van art. 3:24 BW in ieder geval de meest wenselijke uitkomst is, vanwege de terugwerkende kracht van faillissement en het potentiële gevaar dat daardoor ontstaat, te weten dat een verkrijger van een onroerende zaak geconfronteerd kan worden met een faillissement waarmee de verkrijger niet mee bekend kon zijn.
Rb. Noord-Nederland 14 juni 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2240, besproken in Notamail 2018/143.
Het eerste voorbeeld is de regel die artikel 505 lid 3 Rv geeft voor onroerende zaken. Normaal gesproken ‘kleeft’ het beslag zodra het proces-verbaal daarvan is ingeschreven;1 als de notariële akte waarbij een onroerende zaak wordt overgedragen aan B later wordt ingeschreven dan het proces-verbaal (art. 3:21 lid 1 BW), kan de beslaglegger zijn recht tegen B inroepen (art. 505 lid 2 Rv). In afwijking hiervan kan het recht van B toch prevaleren, indien de leveringsakte waarbij B geleverd krijgt eerder is verleden dan de inschrijving van het (proces-verbaal van het) beslag en de leveringsakte uiterlijk één dag na het inschrijven van het beslag wordt ingeschreven. Het idee achter deze bepaling is dat aan het belang van een vlot verlopend rechtsverkeer in onroerende zaken (dus het belang van de koper dat deze krijgt wat hem is beloofd) meer waarde wordt toegekend dan aan het belang van schuldeisers.2 Deze afwijking werkt slechts tegen schuldeisers die verhaalsbeslag leggen.3
Een ander voorbeeld van een afwijking met het oog op een vlot lopend rechtsverkeer, vormt artikel 3:24 BW. Indien de leveringsakte tussen A en B wordt ingeschreven en A op dezelfde dag failleert, zou het verkochte (register)goed normaal gesproken onderdeel uitmaken van de failliete boedel (art. 23 Fw) en is levering niet langer mogelijk (art. 35 Fw). Het is echter goed mogelijk dat B niet op de hoogte was van dat faillissement ten tijde van de levering, omdat faillissementen niet onmiddellijk worden ingeschreven.4 Bovendien kán B niet eens op de hoogte zijn, indien het faillissement later dan de levering wordt uitgesproken (maar nog wel op dezelfde dag, waardoor het verlies van beschikkingsbevoegdheid van A ingevolge art. 23 Fw terugwerkt tot vóór de ten gunste van B verrichte beschikkingshandeling). Artikel 3:24 BW beschermt B mogelijk in deze situaties door te bepalen dat het wel inschrijfbare maar nog niet ingeschreven faillissement, niet aan B kan worden tegengeworpen.5 Ook hier is sprake van een afwijking van ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’; ondanks dat het verlies van beschikkingsbevoegdheid van A eerder intreedt dan de levering aan B, wordt B’s verkrijging veilig gesteld ten koste van de verhaalsuitoefening door de curator ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren in het faillissement van A.
Bij bovengenoemde voorbeelden van afwijkingen wordt, dankzij het bestaan van de afwijking, voorkomen dat een schuldeiser succesvol beslag legt of dat het goed in een failliete boedel valt. Er zijn echter ook afwijkingen die een meer curatief dan preventief effect hebben, in die zin dat wel tijdelijk sprake is van een succesvol gelegd beslag. Een voorbeeld hiervan is een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland,6 waarin de voorzieningenrechter het beslag van een schuldeiser op een onroerende zaak opheft, op voorwaarde dat de notaris de koopprijs onder zich houdt tot één week na de levering zodat de schuldeiser gedurende deze week onder de notaris beslag kan leggen op de koopsom. De reden hiervoor is dat het in het belang van alle betrokkenen is om de levering te laten doorgaan. Bovendien stelt de kwaliteitsrekening van de notaris de schuldeiser in staat om snel en effectief vervangende zekerheid te krijgen. Het effect van deze uitspraak komt neer op een Vormerkung ten gunste van B. Gelijk artikel 507b Rv bepaalt bij de Vormerkung, wordt het beslag op de onroerende zaak in deze casus geconverteerd naar een beslag op het surplus van de koopsom (het deel van de koopsom dat, na de betaling van bijvoorbeeld hypothecaire financiers, voor de verkoper overblijft), waardoor het recht van de koper – ook zonder Vormerkung – goederenrechtelijke trekken krijgt.