Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/2.4.4
2.4.4 Stichting
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS958018:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie verder over de doelstellingen van een familiestichting Noordeloos en König 2023. Zij benoemen ook het motief continuïteit als reden om tot oprichting van een familiestichting over te gaan.
Zie over de stichting familiebeheer Maasland 2011. In paragraaf 5 van zijn artikel bespreekt Maasland de verschillen tussen een familiestichting en een stichting familiebeheer. Zie over dat verschil ook Noordeloos en König 2023, p. 346.
Zoals in paragraaf 2.3.4.1 al naar voren kwam is er geen sprake meer van familievermogen in de zin van dit onderzoek op het moment dat zowel de volledige zeggenschap als het economisch belang in de stichting terechtkomen.
Net als voor de BV geldt ook voor de stichting1 dat deze op verschillende manieren wordt ingezet voor het beheer van familievermogen. De stichting als administratiekantoor bij een certificering van aandelen wordt in de interviews het meest genoemd als voorbeeld. Er wordt dan in de meeste gevallen de link gelegd met het motief continuïteit. Maar ook het gebruik van de stichting als familiestichting2 komt naar voren. Een notaris zegt hierover:
“Naast de STAK, familiestichtingen. Ja, dat komt voor. Buiten de STAK, met en zonder uitreiking van certificaten. Dat ligt er ook een beetje aan of je het APV regime wil opzoeken of juist wil ontwijken. Ja, komt voor, maar wel minder. Ik ben er met drie bezig geweest en twee staan er nu. En ik denk niet dat de derde er nog komt. In de praktijk denk ik, dat is toch een beetje vanuit de historie, dat 2/3e familiebedrijven is en dat we daar met certificering van aandelen eigenlijk het meeste doen.”
Het motief continuïteit speelt daarnaast nog een rol in de situatie dat een stichting wordt gebruikt als een, zogenoemde, stichting familiebeheer.3 Een notaris verwoordt als volgt wat een dergelijke stichting inhoudt:
“Een ander punt van familiebeheer en dat (…), is een aparte stichting, een familiebeheerstichting (…) die eigenlijk overal aangewezen is als bestuurder. (…) en die ook wel invloed heeft op allerlei plaatsen. Zowel bij de bank, als bij de onderneming als allerlei beleggingsvermogen. In die stichting regel je wie daar de baas is, maar ook wat er gebeurt als die persoon er niet meer is. Er zit dus een opvolgend bestuurder in, c.q. opvolgende bestuurders in. Met een bepaalde doelstelling. Die familiebeheerstichting kun je een opdracht geven. Dat gebeurt in dit geval ook, met een soort familiestatuut. Wat wil ik eigenlijk met dat vermogen? Wanneer wil ik dat kinderen of kleinkinderen een rol gaan spelen? Hoe worden die erbij betrokken? Hoe gaan wij om met liefdadigheid, met charity? Welk deel van het vermogen zou ervoor in aanmerking komen?”
Bij de stichtingen die worden ingezet voor het beheer van familievermogen wordt veel belang gehecht aan het feit dat er in de statuten een zodanige opvolgingsregeling voor bestuurders wordt beschreven, dat de band tussen de stichting en de familie in beginsel altijd kan blijven bestaan. Voorwaarde is dan wel dat er in principe tot in lengte van jaren familieleden kunnen worden gevonden die in het bestuur zitting willen nemen. Eén van de adviseurs geeft aan dat de rechthebbende met behulp van een stichting als het ware een soort bewind kan creëren zonder dat het een bewind in de zin van de wet is.
Met betrekking tot de stichting kan worden gezegd dat deze in het kader van het continuïteitsmotief een belangrijke rol kan vervullen. Het vermogen zit in de stichting en is daarmee minder gevoelig voor versnippering of verhaal.
Niet alle respondenten zijn enthousiast over het gebruik van een stichting voor beheer van familievermogen. Er wordt genoemd dat de inbreng van het vermogen in de stichting ertoe leidt dat het vermogen in de zogenoemde dode hand zit als het vermogen niet wordt gecertificeerd. Het economisch belang is in dat geval in beginsel definitief buiten de familie gebracht, wat onder meer gevolgen kan hebben voor de betrokkenheid van familieleden bij het vermogen. Op het belang van betrokken zijn bij het vermogen wordt in paragraaf 2.6.1.1 verder ingegaan.
Ook wordt genoemd dat indien een familie bijvoorbeeld een kunstcollectie in een stichting stopt, er ook liquide middelen in de stichting aanwezig moeten zijn om de kunst te kunnen onderhouden. Hetzelfde kan gelden voor een landgoed dat in een stichting wordt ingebracht. Daarnaast komt naar voren dat het gebruik van een stichting eigenlijk alleen bij hele grote vermogens naar voren komt en daardoor geen figuur is die algemeen inzetbaar is voor het beheer van familievermogen. In dat kader wordt de stichting door sommigen alleen geadviseerd op het moment dat de rechthebbende van het vermogen geen afstammelingen heeft en het van belang vindt dat bepaalde vermogensbestanddelen bij elkaar worden gehouden.
Verder wordt genoemd dat de civielrechtelijke wetgeving als summier wordt ervaren, wat rechtsonzekerheid tot gevolg kan hebben. Bijvoorbeeld waar het de onderwerpen toezicht en aansprakelijkheid betreft.
Tot slot wordt het bestaan van het uitkeringsverbod, althans de onduidelijkheid in hoeverre er een uitkeringsverbod bestaat, als een nadeel ervaren door de respondenten. Deze onduidelijkheid over het verbod weerhoudt een aantal geïnterviewde personen ervan om in bepaalde situaties de stichting als mogelijke optie voor beheer voor te leggen aan hun cliënten. Anderen geven aan dat de discussie kan worden omzeild door het gebruik van overeenkomsten tussen de stichting en de rechthebbende die het vermogen inbrengt.
Bij kunstobjecten of -collecties komt de stichting ook meerdere malen naar voren als beheerstructuur. De stichting wordt dan gebruikt in het kader van het motief continuïteit in de zin van het behoud van de kunstcollectie.4 De stichting wordt ook bij onroerend goed genoemd als beheerfiguur.